A. L. Snijders - Scroll voor een selectie van de columns van A.L. Snijders even naar beneden.

Ver van de wereld werkt een man aan een geheimzing oevre. Bijna elke dag schrijft hij een zkv,een zeer kort verhaal. Het zeer korte verhaal is de kruimeldief van de literatuur,het zuigt in hoekjes waar de roman niet kan komen.
A.L.Snijders (1937) beheerst dit atomaire genre als geen ander. Sinds hij e-mail heeft stuurt hij zijn verhalen aan een geprivilegieerd aantal mensen, dat zich een paar keer per week verheugt en verbaast over de ongewone diepte van zo weinig woorden.( ) en in een stijl die in de Nederlands litaratuur door vijwel niemand wordt overtroffen.
(Tommy Wieringa)
336 ZHV's zijn gebundeld in; Belangrijk dat ik niet aan lezers denk. Uitg. AFdH 461 blz. 22,50
In Heimelijk vreugde dl.1 zijn vroegere columns en brieven gebundeld. Uitg. Thomas Rap 351 blz.19,90
In oktober is verschenen :
ALLES ZAL BLIJVEN ZOALS HET IS circa 300 ZKV's ,verluchtigd met tekeningen die de zoon van de auteur "dicht bij huis" gemaakt heeft.
532 blz. geil. luxe papierenband prijs ca.49,50.
In De incunabel vertelt A.L. Snijders het verhaal van de jonge David, student Nederlands in het Amsterdam van de jaren zestig. David probeert zijn leven ‘met vaste hand' te besturen, maar op een onbewaakt ogenblik wijkt hij toch af van de uitgestippelde weg - en dat gaat niet straffeloos. Aan het lot valt niet te ontkomen. Het is als een rivier: je kunt wel een beetje meer naar links of naar rechts, maar uiteindelijk niet al te veel. Alles stroomt door een bedding naar zijn bestemming. De incunabel is een bijzonder stijlvolle novelle van de grootmeester van het korte verhaal.
ISBN: 978 90 600 5988 3 Aantal pagina's: 96 Uitvoering: Gebonden
A.L. Snijders, Meer dan een bibliografie
Marius Zeven & Theo Rabou (vormgeving)
Illustraties: Marcus, Matthijs & Gijs Müller.

Deel 1: Een vriendenboek .
Een keur aan auteurs, waaronder L.H. Wiener, Thomas Verbogt, Jaap Scholten, Joost Conijn, Hanneke Groenteman en Tommy Wieringa alsook debutanten als Serge Markx, Branko Vliegenthart en Snijders' zoon Marcus Müller, schreef speciaal voor dit boek een nieuwe en persoonlijke bijdrage voor en over A.L. Snijders.
Deel 2: Verhalen, brieven en zkv's van A.L. Snijders
Niet eerder gepubliceerd.
Deel 3: Bibliografie A.L. Snijders
Bijgewerkt tot 18 maart 2011
Voordat A.L. Snijders beroemd werd als uitvinder van het ZKV, het zeer korte verhaal, stond hij vooral bekend als columnist van Het Parool. In Voordeel schutter verschijnen de columns van de winnaar van de Constantijn Hygensprijs voor het eerst in boekvorm. Ze gaan vergezeld van Snijders' fraaie brieven aan de redacteur van deze krant. Snijders' columns gaan over het dagelijks leven, zijn rol als vader, de landelijke omgeving waar hij woont en vooral de literatuur. Stuk voor stuk parels van woordeconomie die je laten zien waar het in het leven en in de kunst om draait.
‘Met uiterste precisie schildert Snijders, de meester van het éénharig penseel, de wereld in kleine taferelen. Ze bestrijken de breedte van het leven, in het bijzonder dat van hemzelf, en dragen de kleur van zijn dag, mild-ironisch, peinzend, woedend soms, maar altijd erudiet en in een stijl die in de Nederlandse literatuur door vrijwel niemand wordt overtroffen.' – Tommy Wieringa
A.L. Snijders (1937) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was columnist van Het Parool en enkele regionale kranten. Met zijn vrouw woont hij in de Achterhoek.
‘Snijders mengt hogere filosofie met het dagelijkse leven. Je raakt hier echt niet op uitgelezen.' – Pieter Steinz, NRC
paperback/17.90
ISBN: 978 90 600 5987 6
Een handige dromer
Een keuze uit de zkv's 2009-2010
‘Ik heb gekozen: lekkere, korte, eenvoudige stukjes die door de gemiddelde pvv-kiezer begrepen kunnen worden. Ik heb twee soorten weggelaten: 1 teveel citaten, 2 stukjes waarin teveel bn’ers voorkomen, de name-dropjes, de kijk-mij-eens-een-beroemde-vriend-hebben stukjes. En dit alles op intuïtie, niet nadenken, snel beslissen, wat ze in de middenstand een impuls-aankoop noemen.’
A.L. Snijders
Paperback / € 12.50/Isbn 9789072603234
De mol en andere dierenzkv's
Hebben dieren verdriet? Rent een haas voor zijn plezier? Kun je anders dan met mensenogen kijken naar dieren? Kwesties die passen in het Darwinjaar 2009, vragen die helemaal thuishoren in de Boekenweek 2009. Snijders schrijft en spreekt erover in zijn eigen onovertroffen stijl, ongedwongen, nuchter maar steeds weer hartverwarmend.
Twee maart verschijnt De mol en andere dierenzkv’s. Het is A.L. Snijders’ nieuwste boek met zeer korte verhalen – een luisterboek waarin hij 34 van zijn mooiste dierenverhalen voorleest. 21 zkv’s worden in dit boek voor het eerst gepubliceerd. De krachtige illustraties op het omslag en in het binnenwerk zijn van de hand van Jan M. Verburg. Hij won in 1978 het Gouden Penseel als tekenaar van het beroemde Tom Tippelaar van Annie M.G. Schmidt.
Van heel veel kanten bereikte ons het verzoek om ‘iets te doen’ met de prachtige voorleesstem van Snijders. Met De mol en andere dierenzkv’s is die wens werkelijkheid geworden. Het is twee boeken in één: een ontroerend luisterboek en een prachtig leesboek tegelijk. Pieter Steinz, literatuurcriticus van NRC Handelsblad, schreef de inleiding bij dit boek.
Hij spreekt over ‘de Romeinse kernachtigheid’ van Snijders’ verhalen en over diens ‘zinnen, scherp als messen.’
isbn 978 90 72603 08 1 | gebonden | 64 pagina's pagina's | € 28,50
Bordeaux met ijs-A.LSnijders , Illustraties Marcus Muller
Op 13 december verscheen Bordeaux met ijs, A.L. Snijders' nieuwe boek met zeer korte verhalen. Dankzij Snijders is het zkv een verfrissend nieuw genre in de Nederlandse letteren geworden. Dat heeft alles te maken met de storm aan publiciteit en de zeer lovende reacties op zijn verhalen. Daarnaast blijkt het publiek erg te genieten van zijn optredens. Marcus Müller illustreerde het boek met 21 tekeningen. Erf en woning van de auteur zijn op een bijzondere wijze verbeeld. Kees Fens over Snijders' eerste bundel zkv's: ‘meesterstukjes waaruit geen woord gemist kan worden (…). Het begint direct en eindigt precies met de juiste zin (…) – een zeer goed boek.’
isbn 978-90-811180-9-6 | paperback | 420 pagina's | € 24,50
In de jaren negentig van de vorige eeuw schreef A.L. Snijders, die met zijn zeer korte verhalen (‘zkv’s’) een steeds groter lezerspubliek aan zich weet te binden, columns voor de Deventer Dagblad Combinatie. Zijn contactpersoon was de hoofdredacteur, de heer Van der Moer. Vanaf de eerste bijdrage liet Snijders zijn stukken vergezeld gaan van een begeleidende brief aan de heer Van der Moer, een man die hij overigens niet kende en ook niet leerde kennen, want de hoofdredacteur schreef zelden terug. In Heimelijke vreugde zijn die columns en brieven gebundeld.
Dit is het tweede deel van een tweedelige uitgave.
ISBN: 978 90 600 5763 6
Omvang: 352 bladzijden
Uitvoering: Gebonden
Prijs: € 19.90
A L. Snijders - ZKV (zeer korte verhalen) ...
Boerendochter
In de herfst van 91 lag mijn vader in het ziekenhuis van Woerden. Hij had kanker en was geopereerd. Volgens de dokter was de kans dat hij aan deze kwaal zou sterven klein, want in oude lichamen gaat alles langzaam, ook het groeien van kanker. De man had gelijk, mijn vader overleed aan iets anders, twee jaar later. In de herfst van 91 reed ik iedere avond vroeg over de A12 naar het westen, en daarna 's avonds laat naar het oosten. Daarbij passeerde ik viaducten met leuzen. De mooiste was 'Vlees is leed'. Hij hoorde bij 'Stop de bio-industrie', die op een andere brug stond, enkele kilometers verder. 'Vlees is leed' is prachtig - harde poëzie, klaar voor gebruik. 'Stop de bio-industrie' is niks, taal voor de stencilmachine. Ik besloot er een stukje over te schrijven voor de krant. Ik bedacht een jongen uit een actiegroep, een jongen met twee gezichten. De wilde jongen schreef 'Vlees is leed', de tamme, ethische jongen 'Stop de bio-industrie'. Ik gaf hem ook nog een naam, onnadrukkelijk, alsof ik er met mijn gedachten niet bij was. Ik noemde hem Piet. Later realiseerde ik me dat het de naam van mijn vader was, maar ik geloof niet dat het iets te betekenen had. Hij had natuurlijk wel die twee kanten, maar die heeft iedereen, en je hoeft je niet mooier voor te doen dan je bent. Enfin, ik schreef het, noemde het Vlees, en vergat het.
In de herfst van 93 lees ik in de Volkskrant een column van Remco Campert met de titel 'Leed'. Eerste zinnen:
Vlees is leed' stond er in grauwe letters gekalkt op het viaduct over de autoweg die van de stad het land en, indien men wilde, de rest van de wereld in voerde. Dat het regende hoeft geen betoog. Opzij van de weg zakten boerderijen oneindig traag het zompige grasland in. Onder het donkere jagende zwerk duwde over een modderig dijkje een broodmagere bijbelverkoper zijn zwaarbeladen transportfiets voort. Een zwangere boerendochter verhing zich in de stal. Vlees is leed.
Een portret van Calvinistisch Nederland in de jaren dertig, veertig, vijftig en zo voort, een permanente crisis. Met die magere bijbelverkoper heb ik niet veel medelijden - hoewel ook hij zijn lot niet gekozen heeft -, maar met die radeloze boerendochter leef ik wel degelijk mee.
Vragen
Een drol is een ding van de nacht. Sneeuw onthult wat verborgen blijft. De sneeuw blijft hier lang liggen. Twintig meter van mijn schrijftafel loopt - gelukkig met een raam ertussen - een welvarende ree in de tuin te knabbelen aan de struiken. Kou verbroedert. Een week eerder heb ik op een andere plek in de tuin op de smetteloze sneeuw een drol gevonden. Alsof er een kleine hond op bezoek is geweest, terwijl ik geen kleine hond meer heb, zelfs geen kat, ik heb alleen nog maar een kip. Vanmorgen vind ik weer zo'n drol, duidelijk van hetzelfde beest. Maar deze keer ligt hij op de besneeuwde tuintafel. Nu wordt het een mysterie. Wat gebeurt hier 's nachts? Wie is hier te gast? Is het wel een gast of woont hij hier, net als ik? Betaalt hij ook hypotheek en rioolbelasting? Maakt hij zich zorgen over de euro? Er zal hoe dan ook een tijd komen dat de mens er niet meer is. Zal de nachtelijke gast er dan nog zijn en op tafel poepen?
Buurman
Tussen zeven en acht in de morgen fiets ik. Een kleine kilometer van mijn huis, aan de andere kant van de provinciale weg, passeer ik een klein aardappelveld, waar een man met een riek staat te rooien. Ik praat met hem en probeer alles van hem te weten, hij is net als ik in 1937 geboren, maar ik ben een maand ouder en eis dus respect, hij is altijd vrijgezel gebleven, hij is geboren op de boerderij achter zijn rug, heeft ouders en twee broers, ze hebben altijd bij elkaar gewoond, nu is hij alleen, iedereen is dood. Hij heeft op de lagere school van Klein Dochteren gezeten, twee lokalen. Op zijn vijftiende mocht hij van school, hij zucht van geluk bij de herinnering. Hij kijkt nooit naar de televisie ('ik hèb wel zo'n ding', zegtie), en de radio gebruiktie alleen voor de weersverwachting. Hij gaat om negen uur naar bed en staat om zes uur op, naast het huis ligt een prachtige moestuin, op het land staan pinken. Morgen fiets ik er weer langs en ga ik hem vragen of hij leest, wat hij voor zichzelf kookt, of hij het erf wel eens verlaat, en als de sfeer het toelaat, de dood, denkt hij wel eens aan de dood.
Hij maakt geen weigerachtige indruk, maar hij geeft alleen antwoorden, hij stelt geen vragen. Ik vertel hem ook over mezelf, ik heb geen geheimen, ik vertel hem dat ik iedere avond naar de televisie kijk en eens per week een zeer klein stukje in een omroepgids schrijf en dat ik daar geld voor krijg. Ik vertel hem dat tien van die stukjes deze fiets hebben opgeleverd, ik wijs op de fiets, ik ben niet karig met mezelf.
Fez
Mijn oudste zoon heeft de tweede wereldoorlog niet meegemaakt, maar weet er alles van. Gisteren vertelde hij dat de Duitsers op de Balkan een SS-divisie hadden die uit lokale moslims bestond. Ze droegen geen pet, maar een fez, waar het SS-teken op stond. 'Zo konden ze in uniform toch makkelijk bidden', zei hij. Ik hoorde voor het eerst dat de fez juist voor moslims ontworpen is omdat een klep hen belet met het voorhoofd de grond aan te raken. Ik wist dat niet, ik weet veel niet. Ik keek naar hem en dacht: dat weet jij en ik niet. De orde wordt geschokt, een vader hoort meer te weten dan zijn zoon. Omdat ik op zolder lekkages repareer in een smoezelige omgeving van spinrag en eeuwenoud stof, draag ik behalve een overall een stevige pet met een forse, harde klep. Als ik water drink bij het fonteintje moet ik me bukken om het water in mijn hand te laten lopen en het tegelijkertijd te drinken. Met de pet lukt het me niet, door de klep kan ik niet dicht genoeg bij de kraan komen. Ik word moslim, dan kan ik drinken met hoofdbedekking, en als iemand vraagt waarom ik een fez draag, wijs ik op mijn nieuwe geloof.
Innerlijke tijd
In het zondagmorgenboekenprogramma van Wim Brands was de filosofe Joke Hermsen aan het woord. Ze heeft een boek geschreven over de tijd. Het is een pleidooi voor de innerlijke tijd, de tijd zonder horloge, de tijd als de trein vertrokken is en er geen volgende verwacht wordt. Wim Brands bracht een trend in het bedrijfsleven ter sprake, een ruimte waar de klerken een uurtje de tijd kunnen vergeten. Ik meende te zien dat hij de draak wilde steken met dit initiatief (net als ik), maar voordat hij de volle ruimte kreeg, bleek dat Joke Hermsen ervoor was. In het kader van alle beetjes helpen.
Ik ben in mijn werkende leven leraar geweest aan verschillende onderwijsinstellingen. Die hadden gemeen dat je er moest zijn als je wat te doen had. Als je volgens het rooster bijvoorbeeld de eerste twee uur geen les had, hoefde je niet te komen. De laatste twaalf jaar werkte ik aan een politieschool. De eerste jaren had ik niets door en de directie ook niet. Ik kwam als ik les had, en ik ging als ik klaar was. Dit veranderde toen ik thuis zat en onverwacht bij de directeur moest komen omdat een vrouwelijke collega over me geklaagd had. Ze was niet slim, maar wel assertief. Ik had haar gevraagd of ze een controle-oefening voor me wilde maken, ik vroeg haar letterlijk: wil je m'n guinea-pig zijn? Ze ging naar de directeur en zei dat ik haar een varken had genoemd, ze wist niet dat guinea-pig ook in onze taal gebruikt kan worden als proefkonijn.
Ik moest denken aan een kinderverhaal over een vette priester die gepest wordt door een stel kwajongensdieren, waaronder rein de vos. Terwijl ze wegrennen, schreeuwt hij in het latijn: maledico vos (ik vervloek jullie). De vos voelt zich beledigd, hij heeft 'malle dikke vos' verstaan, en wil terug om verhaal te halen, maar zijn vrienden voelen er niets voor. De directeur vroeg waarom ik thuis zat – ik legde hem uit hoe het zat in het reguliere onderwijs en hij vertelde dat ik er altijd moest zijn, les of geen les.
De volgende tien jaar zat ik dus de hele week op mijn kamer en deed niets, geheel in de sfeer van de wachtcultuur van de politie. Het beviel me goed, ik ben altijd een man van de innerlijke tijd geweest. Soms gaf ik zeven uur per week les, soms tien, maar nooit meer. Ik heb dit nooit aan de grote klok gehangen, ik was bang dat men mij voor klaploper of profiteur zou uitmaken. Maar nu het officieel op de televisie is geweest, is het tijd om uit de kast te komen.
Opvoeding
Ik heb altijd het idee dat ik niet echt nadenk. Ik ken twee mensen, een wiskundige en een filosoof, die een middag zonder werktuigen in een stoel kunnen zitten om na te denken. Ze behandelen dan al denkend een probleem, een vraagstuk. Ik heb ontzag voor deze mensen. Ik denk over niets echt na, ik denk nooit over de dood of over een rechtvaardige samenleving. En als iemand vraagt hoe ik opgevoed ben, zeg ik altijd oprecht dat ik niet ben opgevoed. Mijn vader zei altijd dat hij mij niet opvoedde en dat heb ik geloofd en verder verteld. Hij nam mij wel iedere week op woensdagavond mee naar het Concertgebouw en ik mocht op zijn rekening de boeken kopen die ik wilde hebben, maar dat had toch allemaal meer te maken met een soort lome beschaving dan met opvoeding, die ik meer associeer met nerveus pikgedrag en discussiëren over normen en waarden – dat deden we nooit, we discussieerden nooit. Ik heb ook niet de indruk dat ik mijn eigen kinderen heb opgevoed, ik wilde mijn vader niet teleurstellen. Maar nu heb ik onlangs een stapel papieren ontvangen van mijn oudste zoon die zijn huis opruimt. Daar was een briefje bij dat ik hem zondag 21 mei 2000 geschreven heb. Ik vind bij nader inzien dat het wel degelijk een opvoedkundig karakter heeft (door de laatste 4 woorden):
Beste Marcus,
In de Gelderse krant wordt Rudy Kousbroek geïnterviewd.
Over Wim Kan, die bij het bezoek van Hirohito opriep tot demonstraties, zegtie:
<In hoge mate schande. Hij wilde de keizer ook dood hebben.
Infantiel. Alsof de keizer, de kaartjesverkoper in livrei, de baas is van de bioscoop.
> Je ziet dattie een voorkeur heeft voor dit type beeld:
een mooi aangeklede ondergeschikte wordt door domkoppen aangezien voor de baas.
(Fluitende conducteur zet trein in beweging.)
Blijf op je hoede.
Geheugen
Een slecht geheugen is een genot. Ik schrijf stukjes als een schaatser, ik moet vooruit kijken omdat er scheuren in het ijs zitten, ik wil niet vallen, ik kan niet omkijken. En als ik bij mijn doel ben, ben ik de weg die ik heb afgelegd vergeten. Dat geeft een heerlijk gevoel, er is alleen maar toekomst. Maar ik leef niet alleen, er is altijd wel iemand die om opheldering vraagt, en dan raak ik in de war – heb ik dat gezegd, heb ik dat geschreven? Dan wordt er geknikt, ja, dat heb je geschreven. Ik ben eraan gewend geraakt, ik schaats alleen, maar ik leef niet alleen, er zijn mensen om me heen, ook al zie ik ze niet. Als er iemand op me af komt met een vrolijke twinkeling in zijn ogen, dan weet ik dat hij mij kent – ik draai er niet omheen, ik vertel hem meteen dat ik een slecht geheugen voor gezichten heb, dat het niet persoonlijk bedoeld is, dat hij me moet helpen. Dat doet hij altijd, en dan praten we ontspannen over vijftig jaar geleden of over vorige maand. Mijn geheugen zit achter een bescheiden drempel, een klein zetje is genoeg.
Ik schrijf kleine stukjes. Aanvankelijk voor mezelf, zonder last of ruggespraak, maar als een uitgever ze verzamelt en er een boek van maakt, komen er reacties. Boekhandels en bibliotheken vragen of ik wil voorlezen. Vaak rijd ik honderden kilometers, soms slechts tien. Dat was enkele weken geleden het geval, boekhandel Lovink in Lochem nodigde me uit. Er waren dertig stoelen klaargezet, precies goed, want er waren dertig toehoorders. Ik ging tien minuten voor aanvang van huis, de boekhandel ligt op vijf kilometer afstand. Ik las een medisch stukje voor, met de titel 'Lipoom'.
*Ik zat bij de dokter in de wachtkamer om een gezwel te laten onderzoeken. Ik vreesde kanker. Het was vroeg in de ochtend, er zat maar één man, het was doodstil. Ik zei tegen de man: 'Zullen we praten?' Hij antwoordde: 'Nee'. Tien minuten later, in de spreekkamer, zei de de dokter dat ik geen kanker had. Het gezwel bleek een lipoom.*
Terwijl ik voorlas, realiseerde ik me dat ik niet meer wist wat een lipoom was, vergeten. Gelukkig zat mijn huisarts ook in het gehoor. Ik vroeg het hem. Het is een vetbult. Ik constateerde dat het met de kennis van de Nederlandse huisartsen goed gesteld is
Eredienst
Mijn 10-jarige kleindochter, die hier logeert, vraagt iedere ochtend als ik binnenkom: 'Ben je al naar de haan geweest?' Ik zeg: 'Nee, ik heb hout gehaald'. [Dat kan ze zien, want ik draag de mand met hout onmiskenbaar.] Ze kan zelf ook naar de haan gaan kijken. Ik vraag: 'Waarom ga je zelf niet kijken?' Ze zegt: 'Ik ben nog niet aangekleed.' Ik zeg: 'Gisteren heb je hele dag niet gekeken.' Ze zegt: 'Ik ben vergeetachtig.' Haar moeder, die met haar op een kamer slaapt, zegt: 'Iedere ochtend zijn haar eerste woorden voor de haan.' Ik wil natuurlijk in kale termen aan de haan denken: 'De haan leeft of is dood.' Maar mijn kleindochter broedt op een eredienst. Wij durven niet te kijken en willen er niet over praten. Zwijgen en angst, het is begonnen. Over tweeduizend jaar ligt het onherroepelijk vast, Antoine Bodard verschijnt iedere avond op de televisie. [Deze flauwe fantasietjes ontstaan duizend keer per dag op duizend plaatsen – maar eens is het raak.]
Huizenprijs
Huizenprijs Eupen / Malmédy. Hoe werkt de herinnering? Vraag zonder antwoord. Op de lagere school zijn deze twee plaatsnamen als een tweeling in mijn hersens geplaatst, weggezakt en nooit meer tot leven gebracht. Ik wandel op een vroege ochtend in de buurt van Stavelot, in de Ardennen. Ik laat mijn hond uit en adem diep. De gezondheidspredikers, die niet ophouden mij op te voeden, te vermanen, aan te sporen en bang te maken, zeggen dat wandelen en diep ademen gezond zijn. (In het bos tenminste, niet onder de rook van een naftakraker.) Gelukkig heb ik een hond, ik moet dus wel wandelen, de gezondheid is een bijverschijnsel, zonder hond zou ik geen poot verzetten. Ik loop op een smalle dijk langs snelstromend water – aan mijn rechterhand, een paar meter lager, liggen verlaten sportvelden, voetbal, tennis, atletiek. Er loopt een man met een zwaar, melancholiek gezicht en een grote, harige hond, ze passen bij elkaar, zoals altijd als man en hond op elkaar aangewezen zijn. De man praat tegen me, van beneden naar boven. Onze honden zijn de aanleiding, hij vraagt wat voor 'n hond ik heb. Als ik zeg dat het een Duitse jachthond is, veert hij op, mooi, hij is pro-Duits! Na het hondenhoofdstuk begint hij over zijn leven. Zijn vrouw is weggelopen, hij woont alleen met zijn hond in Stavelot, hij heeft niet veel contact met zijn buren, omdat hij in Malmédy geboren is. Ik trek mijn wenkbrauwen omhoog – verbazing. We vallen ruggelings in de tijd, het is oorlog. Malmédy, dat pas in 1926 als herstelbetaling bij België is gevoegd, heeft de Duitse invallers met gejuich en hakenkruisvlaggen ingehaald. (De man zegt: 'Er zijn foto's van'.) Stavelot, slechts enkele kilometers verderop, staat aan de andere kant. Vijf jaar hebben die van Malmédy de wind in de rug, die van Stavelot moeten lijden. Als de geallieerden gewonnen hebben, gaat het vuur ondergronds. In Stavelot verschijnen de plaquettes met de namen van de gevallenen, en de belofte om nooit te vergeten. Tegelijk moeten we denken aan Jezus, die verzoening heeft gepredikt. De man met de hond wordt al meer dan zestig jaar door zijn buren met de nek aangekeken, de veenbrand woedt tot in de 21ste eeuw. Ik, praktisch en onideologisch, vraag waarom hij niet verhuisd is naar Malmédy (soort bij soort, zoals sigaren in een doos). Hij schudt het hoofd: 'In Stavelot zijn de huizen goedkoper'. Een eenzame man, die de geschiedenis bedwingt met de huizenprijs. 's Middags zie ik hem op de parkeerplaats van de supermarkt, hij praat tegen een vreemde met een hond.
Mand
De maïs is eraf, het land ligt er gewond bij. Ik zie vier reeën langzaam in lijn over de donkere aarde lopen, ze trekken een onzichtbare ketting, het is november geworden, eindelijk. Ik kan ze niet goed zien, mijn ogen zijn nog niet gewend aan de kleur van november. Ik sprokkel, bij elke gang door het bos neem ik wat hout mee. Ik gooi het in de grote, rechthoekige mand die ik herontdekt heb in de schuur waar de uil geruisloos op me af vloog. De mand heeft ooit in de waszaal van een weeshuis gestaan, of van een gevangenis. Hoe dan ook, je ziet dattie in de omgeving van veel verdriet is geweest. Nu is hij er voor het hout. Als het droog is, gooi ik het in de kachel. Soms herken ik een vorm en herinner ik me de vindplaats. Zoals bij iedereen is mijn hoofd volstrekt ontoegankelijk, empathie is een illusie. Toch vind ik het ene stuk hout sympathieker dan het andere. Onverklaarbaar. Een gekapte, christelijke televisiepersoonlijkheid verklaart in een nieuwsprogramma dat hout stoken slecht voor de gezondheid is. Fijnstof! Van alle kanten kruipen ze op je af, met hun gezondheid. En ze verpesten je leven met hun gelijk.
Elvis presley
Er belde een meisje op, ze vroeg of ik wilde meedoen aan een Vpro-radioprogramma over kunstenaars die ineens voor een afgrond stonden, een wending maakten, niet meer konden, geblokkeerd waren, het licht zagen, zulke dingen. Ik zei dat ik wel wilde meewerken, maar dat zulke dingen bij mij nooit voorkwamen. We praatten, ze leek teleurgesteld, maar wilde me desalniettemin in het programma. Toen bedacht ik dat er in mijn leven toch wel iets gebeurd was. In 1965 had ik naast mijn woonhuis aan de Oude Zijds Achterburgwal een zeer groot pakhuis gehuurd van meneer Helleganger. Hij was textielhandelaar, in het pakhuis waren behalve opslagruimten ook grote naai-ateliers, waar meisjes onder posters van Elvis Presley en bij arbeidsvitaminen uit de luidsprekers kleren zaten te naaien. Toen Helleganger ermee ophield, verhuurde hij het grote gebouw aan mij. Ik sleepte het in 6 jaar vol met hout en ijzer en onbruikbare machines. Niemand begreep waarom ik dat deed, ikzelf ook niet. Soms beantwoordde ik de altijd eendere vraag met de oorlogswoorden: het kan van pas komen. Toen ik in 1971 naar de Achterhoek verhuisde, kocht ik in Friesland voor 400 gulden een VW-bus. Met deze auto reed ik honderden keren van Amsterdam naar mijn nieuwe huis en stouwde de schuren en zolders vol met de inhoud van het pakhuis. Iemand die me soms hielp, vroeg aanvankelijk wanhopig of houten blokjes van 2 bij 3 centimeter ook mee moesten, maar na enige tijd begreep hij dat ook die van pas konden komen. Van 1971 tot 2007 ben ik doorgegaan met verzamelen – toen kwam de ommekeer. Ik besloot dat ik alles moest wegdoen. Sindsdien rijd ik elke vrijdag of zaterdag (de openstellingsdagen) met een aanhangwagen vol spullen naar de provinciale stortplaats, waar ik mijn leven in porties achterlaat. Het meeste is nooit van pas gekomen, maar het is zeker zinvol geweest, anders was het nooit gebeurd. Ik heb een pasje voor ingezetenen, waardoor ik de helft van de prijs betaal, €10 voor 100 kilo, en €1 voor elke 10 kilo meer. Wat ik wel onrechtvaardig vind is dat als ik met bijvoorbeeld 60 kilo kom, toch €10 moet betalen. Vorige week heb ik een stapel posters van Elvis Presley weggegooid.
Levens
Toen aan sir Alfred Ayer werd gevraagd waarom hij niet in God geloofde, antwoordde hij dat daar geen reden voor was. Korter kan het niet.
Toch kan ik me voorstellen dat een monnik in een Spaans klooster zijn leven lang aan God wijdt, terwijl hij niet in Hem gelooft. Dattie het alleen doet om de schoonheid, de trots, de rust en de voorname wijze van leven. Zoals ik me ook kan voorstellen dat iemand zijn leven aan de wiskunde wijdt. (Ayer was trouwens wiskundige.)
Kunstcriticus/handelaar/makelaar
Na de muziek en de gedichten in de kerk van Hantumhuizen gingen we op straat zitten, het was erg warm. Frits Weeda vertelde dat in 'Boven het dal' een meisje één keer gezien wordt, op het perron van het station, en dat ze daarna wegrijdt in de trein en nooit meer gezien wordt. Verhave en ik, beiden gepromoveerd op Nescio, antwoordden dat hij zich vergiste, zoiets kwam niet voor in 'Boven het dal'. Later bij het afscheid zag ik dat de oude auto van Frits Weeda niet startte. Hij had er kennelijk op gerekend, want hij haalde startkabels te voorschijn en leende wat startstroom bij zijn buurman op de parkeerplaats.
Thuis bleek Frits Weeda gelijk te hebben, het verhaal heet 'Het begin' en het staat in 'Boven het dal'. Sam is aan het woord: "Vreemd, zoo'n meisje, dat je één zoo'n keer even ziet en nooit meer. Daar kan ik nu beroerd van worden, te denken dat je nooit meer bij elkaar kan komen, al zou je allebei willen. En dan ontmoet je weer een ander. En daarna vergeet je ook die en zoo vergaat alles. En als je elkaar krijgt is 't ook niet goed."
Later in de nacht, het werd al licht, droomde ik van Frits Weeda. Hij stond op de kansel van het 13de-eeuwse kerkje met zijn dikke bakstenen muren. Hij droeg uit zijn hoofd voor. Ik herkende in mijn droom de monoloog van Johannes Bavink. *Alles? Ik ben er sedert gisteravond heelemaal van opgeknapt. God is eentonig. God vervalt in herhalingen. Ga eens ergens staan Koekebakker. Ga eens morgenavond om half vjif op de Kromboomsloot staan, als ze de lantaarns aansteken. Let eens op vanmiddag bij het fortje, als je over 't riet naar de boomen van den 's Gravelandschen weg kijkt en 't zonnetje staat weer achter je, precies waar 't verleden jaar om dezen tijd stond, 's middags om drie uur. Als je dan even staat, Koekebakker, je weet 't toch zelf, je bent toch ook geen makelaar of handelaar in 't een of ander of kunstcriticus. Weet jij dan of 't van 't jaar is of tien jaar geleden, of 1950? Heb je niet zelf duizend maal dezelfde sloot gezien, dezelfde twee boomen, ieder aan een kant van den weg, dezelfde strakke blauwe lucht in 't Noorden en denzelfden wazigen, wittigen horizon in 't Zuiden, duizend maal een ruitje de wolken zien weergeven, duizend maal gekeken naar de strepen die de lantaarns maken in 't water van een stil grachtje? Heb je niet zelf duizend maal in de schemering na een korten winterdag met me de Oue Schans en den Binnenkant op en neer gesjouwd in al die jaren? Nooit. Kijk hier naar deze klinkers, pik er een paar vierkante meter uit. Kom morgen terug en ze zullen anders wezen. God vervalt in herhalingen, Koekebakkertje. 't Is altijd morgen, middag, avond, nacht en lente, zomer, herfst en winter. En hij geeft geen rekenschap, hij vraagt mij niet. En ik kan 'm niet verbeteren. Ik schilder altijd weer land, lucht, water en huizen en ben even vervelend.*
Wat ik vooral zo goed vond in de voordracht van Frits Weeda was zijn uitspraak, hij sprak alle n's uit die wij overboord hebben gezet en zelfs de hoofdletters in Noorden en Zuiden kon ik horen.
Torens en zeilboten
Ik lees mezelf. Ik lees 288 pagina's drukproeven van Heimelijke Vreugde 2. Ik realiseer me dat de brieven aan meneer Van der Moer echte brieven zijn, niet geschreven met heimelijke publicatiehoop in het achterhoofd. De toevoeging van de brieven is door Thomas Rap in een laat stadium bedacht. Er staan heel wat dingen in die ik weggelaten zou hebben als ik het geweten had. Nu nog lees ik vaak met kromme tenen, maar ik verander niets, ik zal lijden. Heel opvallend is mijn citeerdrift – dat heb ik dus alleen voor meneer Van der Moer gedaan, een man van mijn leeftijd wiens voornaam ik niet eens kende. Vanmorgen las ik met grote instemming (zelfs met enige ontroering) een passage uit de dagboeken van Cheever in een brief van 01 07 96. De hoofdredacteur was een zeer erudiete man en het moet hem toch plezier gedaan hebben dat ik zulke dingen voor hem overschreef. Ik zou het hem alsnog willen vragen, maar hij is dood.
*Licht en schaduw, aangename en dissonante klanken, het gezang van de schoonmaakster en het bonzende geluid van de wasmachine komen aan als een serie opdoffers. Ik kan me niet concentreren op de verhalen die ik moet schrijven zonder een verscherping van de inwendige pijn. Ik kan geen termen of beelden van rust bedenken. Ik geef mezelf alle privileges van een leugenaar, maar mijn leugens en bedenksels hebben geen overtuiging. Er is niets. Geen extase, geen rust, alleen een geforceerde illusie daarvan. De tijdspanne tussen leven en sterven is kort en ingrijpend, en de menselijke ziel wordt niet kenbaar in comfortabele boerderijen en enórme monumenten, maar in vierderangs hotelkamers, onwelriekend en obscuur. Dat is alles. Er is niets. Moe maar slapeloos, geil maar alleen, radeloos, dronken, bij het raam zitten aan de luchtschacht in een ander land: dat is het beeld van de mens. Ik herinner me al die hotels in binnensteden, het Carlton in Frankfurt, het Eden in Rome, het Palace in San Francisco, hotels in Hollywood, Innsbruck, Toledo, Florence. Daar is de menselijke ziel, venerisch, eenzaam, ontheemd. De rest –het verkwikkende ochtendlicht, mooie muziek, de torens en de zeilboten– het zijn fantastische creaties, ontwijkingen, leugens, platheden en plichtplegingen, een armzalige poging om de waarheid te verhullen.
* Een goed idee van Thomas Rap om de brieven erbij te zetten, nu kunnen mensen die nooit iets van Cheever hebben gelezen, die zelfs misschien nooit van hem gehoord hebben, met eigen ogen zien wat een magistrale schrijver hij is. Goed dat je dat hebt gedaan, zou ik tegen Thomas willen zeggen, maar hij is dood
SCHOFTEN
In Discorsi schrijft Machiavelli een hoofdstuk over Giampaolo Bentivoglio, de tiran van Perugia. Het heet 'Het lukt mensen hoogst zelden om door- en doorslecht of in- en ingoed te zijn'. Dat vind ik een prachtige titel. Giampaolo is een grote schoft, hij heeft seksuele omgang met zijn zuster en hij heeft neven en nichten vermoord om aan de macht te komen. Paus Julius II wil een eind maken aan de regering van de familie Bentivoglio, die al meer dan honderd jaar de baas is in Perugia. Deze paus is volgens Machiavelli een nog grotere schoft dan Giampaolo, maar hij is erg moedig en roekeloos. Hij schreeuwt zijn voornemen van de daken en als hij voor de muren van Perugia verschijnt, weet Giampaolo wat hem te wachten staat. Julius is er eerder dan zijn leger, maar hij wacht niet en gaat alleen met een lijfwacht en zijn kardinalen de stad binnen. Hoewel Giampaolo daar met een overmacht aan soldaten wacht, geeft hij zich zonder verzet over. Iedereen is hier verbaasd over, hij had zich onsterfelijk kunnen maken door in één klap het juk van de onbetrouwbare clerus van zich af te schudden. Machiavelli schrijft daarover: *Giampaolo, die zich niet schaamde voor een incestueuze verhouding en lak had aan zijn reputatie als verwantenmoordenaar, was toen zich daarvoor een geschikte gelegenheid aandiende niet in staat, of liever gezegd niet flink genoeg, om een daad te stellen die iedereen als moedig geprezen zou hebben, en waarmee hij zich een blijvende plaats in de geschiedenis zou hebben verworven, als de eerste die de heren prelaten aan hun verstand bracht hoe weinig respect mensen verdienen die leven en heersen zoals zij; dan had hij iets gedaan waarvan de grandeur groter was geweest dan alle schande, dan alle perikelen die daarvan misschien het gevolg waren geweest.*
Ikzelf houd meer van klein gescharrel dan van grote gebaren, maar het meest houd ik van de onbegrijpelijkheid. Dat grote schoften gevoelens van mededogen en tederheid kunnen hebben, en dat ik daarvan in verwarring raak.
Francesco Guicciardini, tijdgenoot van Machiavelli, kenner van de pauselijke handel en wandel, schrijft: *Ik ken niemand die een grotere hekel heeft dan ikzelf aan de geldingsdrang, de hebzucht en de wekelijkheid van de clerus; ten eerste omdat elk van deze ondeugden op zich genomen verwerpelijk is, ten tweede omdat zij noch afzonderlijk noch tezamen passen bij iemand die voorgeeft zijn leven in dienst van God te stellen, en verder omdat deze ondeugden onderling zo tegenstrijdig zijn dat ze alleen in een heel vreemde persoonlijkheid samen kunnen gaan. Desalniettemin heeft de positie die ik onder verschillende pausen heb bekleed, me genoodzaakt om uit eigen belang ingenomen te zijn met hun macht. Als dat niet het geval was geweest, had ik evenveel van Maarten Luther gehouden als van mezelf: niet om me te bevrijden van de wetten die worden voorgeschreven door de christelijke godsdienst zoals die gewoonlijk wordt geïnterpreteerd en opgevat, maar om die bende schurken hun plaats te wijzen, dat wil zeggen: om ze hun ondeugden af te leren of hun macht te ontnemen.*
Mijn vader noemde zichzelf een realist. Dat heb ik altijd vreemd gevonden, 's nachts luisterde hij in het donker in de huiskamer naar Mahler – het huis sliep. Zoiets doet een realist toch niet. Ik denk na – hoe zou hij het realisme van Francesco Guicciardini beoordeeld hebben.
De schoonheid van gedichten
Op oudejaarsavond 1926 wint de vader van Charles Simic een speenvarken. Een foto. Hij staat in een nachtclub met het schreeuwende beest onder zijn arm, hij draagt een zwarte smoking. Het is een gewoonte in Belgrado, op oudejaarsavond gaat om middernacht het licht uit, er wordt een speenvarken losgelaten, wie het krijsende dier in het donker kan pakken, mag het houden. In 1926 is het de vader van Charles Simic. Ik weet dit omdat Simic het heeft opgeschreven in een verhaal. Het verhaal vertelt verder dat de vader in 1948 naar Amerika gaat om de zwarte armoede van de Balkan te ontvluchten, en dat zijn vrouw en zijn zoon Charles hem later volgen. In de tussentijd ruilt de moeder hun bezittingen voor voedsel, de honger staat voor de deur. Een zigeuner wil de smoking hebben, hij biedt een kip, later twee, de moeder weigert, zij wil een speenvarken. Na dagen onderhandelen zwicht de zigeuner. Het speenvarken lijkt op zijn voorganger uit 1926. Dit staat in het verhaal van Charles Simic, dat ik gelezen heb. Het is een goed verhaal, ik vind alle verhalen en gedichten van Simic goed, dat is makkelijk, ik hoef er niet over na te denken. Ik dacht trouwens dat ik een ander verhaal zou lezen, want de titel luidt: Waarom ik van sommige gedichten meer houd dan van andere.
![]()
Ik was leraar op een politieschool. Als een klas afscheid nam, kreeg ik wel eens een cadeau. Ooit was het een speenvarken. In de grote zaal was het vol met ouders en vrienden, maar vooral met inspecteurs en commissarissen in vol ornaat, vergulde touwen over de schouder, de operette van de macht. Toen het organiserende meisje met het krijsende varkentje binnenkwam, waren er al tekenen van afkeuring, maar toen ze het beest liet ontsnappen en het geruime tijd duurde voordat het zich liet vangen, was er ontsteltenis en bangigheid, alsof er een muis was verschenen op een partijtje van meisjes van plezier. Het verbaasde me niet dat ik de schuld kreeg van het incident, maar het was jammer dat ik niet de tegenwoordigheid van geest had om de verklaring te zoeken in het feit dat het ene gedicht nu eenmaal mooier is dan het andere.
Mei
Op vrijdag 23 mei, enigszins in de avond, aarzel ik op het kruispunt Overtoom/Constantijn Huygensstraat of ik de jonge moeder op bakfiets.nl voorrang moet geven of niet. Ik aarzel hoffelijk. Achter mij driftig getoeter. Er is weinig verkeer, mei is de mooiste maand van het jaar, daarover valt niet te twisten, men maakt zich klaar voor de avond. Bij het eerstvolgende verkeerslicht komt hij naast me staan, we draaien onze ramen open. Hij schreeuwt: 'Wat doe je nou man, wat doe je nou man!' Hij spreekt Turklands met een vertrouwd Amsterdams accent, ik houd van hem, ik zal hem verdedigen tot voor de poorten van Jeruzalem. Hij maakt driftige bewegingen met zijn armen, zoals een haan vlak voor het kraaien, hij kijkt me woedend aan. Hij roept: 'Je moet stilstaan of rijen man, je moet kiezen'. Ik kijk naar hem zonder uitdrukking, zonder arrogantie, zonder dédain, zonder afkeer, zonder sympathie, ik probeer volstrekt neutraal te kijken, ik probeer iemand te zijn die ik niet ben (de ANDER). Hij roept: 'Hé man, ben je ziek, ben je soms ziek?' Ik zeg: 'Ja, ik ben ziek.' Hij kan het niet aan, hij herhaalt zijn vraag, ik herhaal mijn antwoord: 'Ja, ik ben ziek.' Dan schiet hij in de lach. Het is geen uitgaande lach, het is een ingaande lach, hij lacht om zichzelf. Ik wil het woord niet gebruiken, maar ik kan het niet weerstaan, het is zelfreflectie. Het licht springt op groen.