A. L. Snijders - Scroll voor een selectie van de columns van A.L. Snijders even naar beneden.

 

 

A.L. Snijders (Amsterdam 1937) woont op het platteland in Klein Dochteren (bij Lochem). Hij staat bekend als schrijver van het zeer korte verhaal en heeft dit genre op een ongekend hoog niveau gebracht. In 2010 werd zijn werk bekroond met de prestigieuze Constantijn Huygensprijs.
Zijn verhalen (Berichten aan een hoofdredacteur) werden in de jaren negentig uitgegeven bij Thomas Rap (Amsterdam).
Vanaf 2006 verschijnen zijn verhalen, nu zkv's genoemd, bij AFdH uitgevers (Enschede/Doetinchem).

"Ik heb varkens gehouden, misschien wel twintig jaar. Als men mij vraagt waarom, kan ik daar geen bevredigend antwoord op geven. Ik at ze op, maar dat was het niet. Ik hield van ze, maar dat was het ook niet. Het zijn dieren met een grote reputatie, maar dat wist ik niet, ik heb het allengs ontdekt." A.L. Snijders

Dit boekje bevat een selectie van elf verhalen over het houden van varkens. Geïllustreerd met niet eerder gepubliceerde foto's.

A.L. SNIJDERS, EENENTWINTIG

A.L. Snijders, Eenentwintig en andere varkensverhalen
32 pag., genaaid gebrocheerd, 155 x 215 mm, 15 euro
1e dr. 500 ex. december 2016
ISBN 978-94-92348-03-6


 

Ver van de wereld werkt een man aan een geheimzing oevre. Bijna elke dag schrijft hij een zkv,een zeer kort verhaal. Het zeer korte verhaal is de kruimeldief van de literatuur,het zuigt in hoekjes waar de roman niet kan komen.
A.L.Snijders (1937) beheerst dit atomaire genre als geen ander. Sinds hij e-mail heeft stuurt hij zijn verhalen aan een geprivilegieerd aantal mensen, dat zich een paar keer per week verheugt en verbaast over de ongewone diepte van zo weinig woorden.( ) en in een stijl die in de Nederlands literatuur door vijwel niemand wordt overtroffen.
(Tommy Wieringa)

 

 


Koude Oorlog aan de IJssel
Roman in brieven



A.L. Snijders & Erik Harteveld

 

 

In 1951 besloot de Nederlandse regering in het diepste geheim om langs de IJssel waterloopkundige werken te construeren die een strook van vier tot tien kilometer breedte onder water zouden kunnen zetten wanneer er een inval van de Russen zou komen. Ten tijde van de Cubacrisis (oktober 1962) was de linie in opperste staat van paraatheid. Bijna niemand in Nederland wist ervan. Dienstplichtige soldaten patrouilleerden 19 jaar lang op de dijken in het stroomgebied van de IJssel, de karabijn richting het oosten. Zelfs de burgemeesters waren niet volledig op de hoogte. Feit is dat 400.000 bewoners en 100.000 stuks vee geëvacueerd zouden moeten worden. De NAVO hield zijn divisies paraat in Spanje. Strategisch doel van de inundatie was om de opmars van de Sovjets zodanig te vertragen dat de navo genoeg tijd zou winnen om zijn divisies gevechtsklaar op de juiste plaats te krijgen. Over deze IJssellinie berichten Harteveld en Snijders in roman- en reportagevorm. Verleden, heden en toekomst van de hoofdpersonen, ieder aan hun eigen kant van het IJzeren Gordijn, blijken nauw verbonden met de IJssellinie. De auteurs documenteren zich nauwgezet: het wordt weliswaar een roman met als hoofdpersonen een waterloopkundig ingenieur uit Zwolle en een Russische spionne uit Leningrad, met als onderliggend thema een liefdesgeschiedenis, maar in het boek nemen we reportages, oude kaarten, authentieke foto's en geheime documenten op. De IJssellinie laat fascinerend zien hoe het parlement jarenlang onwetend bleef, hoe de angst voor de Russen alles bepaalde, hoe legers zich altijd voorbereiden op de vorige oorlog en hoe de bevolking die er met de neus bovenop zat, niets in de gaten had.

€ 24.50

 

Deze titel heeft de fictieprijs van het Overijssels boek van het jaar 2013 gewonnen .....


 

Elk jaar brengt de uitgever AFdH een nieuwe bundeling van de zeer korte verhalen van A.L. Snijders uit.
In 2006 begonnen ze daarmee en ze gaan er vol overtuiging mee door.

Wapenbroeders is de zesde bundel zkv's die uitgeverij AFdH uitbrengt.

288 pagina's
prijs € 34,50

 

 


 


Deze bundel omvat alle zkv's die Snijders schreef tussen 1 januari 2011 en 1 november 2012.
Net als bij de vorige bundel gaat het discours over de juiste titel voort tot vlak voordat de persen gaan draaien. U bent dus verzekerd van een kakelverse titel. Dit wordt de zesde bundel zkv's die AFdH uitbrengt.
In het voorjaar van 2011 kreeg A.L. Snijders de Constantijn Huygensprijs toegekend. Sindsdien treedt hij bijna wekelijks op in Nederlands en Vlaams literair varieté in grote en kleine zalen en boekhandels. Snijders opent en sluit culturele manifestaties en leest wekelijks op Radio 4 een zkv voor (elke dinsdag om 8.45 uur) en bij De Avonden op Radio 6 (woensdagavond 21.15 uur): ‘Dat er weinig mensen luisteren is geen excuus, integendeel,' schrijft hij ons. In 2011 en 2012 trad Snijders o.a. op bij de Stichtingen Literaire Activiteiten Amsterdam en Utrecht, op Terschelling bij Oerol en bij De Wintertuin in Nijmegen.
Beeldend kunstenaar Joost Conijn maakte een alom lovend ontvangen documentaire over A.L. Snijders voor Het Uur van de Wolf. Elke week schrijft de auteur stukken voor de VPRO-gids en het dagblad Tubantia .

Ca. 300 pagina's • prijs ca. € 34,50 •


 

Brandnetels & verkeersborden is de vijfde zkv-bundel van A.L. Snijders . Deze gebonden editie bevat de zkv's van 12 oktober 2010 tot en met 31 december 2011.
Deze gebonden editie is geïllustreerd door Gummbah . Vier schilderijen van hem zijn als spread in kleur in dit boek opgenomen.

328 pagina's
geheel gebonden
volledig in kleur
€ 36,50


Naast de gebonden editie is er ook een uitgave in luxe paperback verschenen

312 pagina's
luxe paperback
volledig in kleur
€ 19,50



 

Ruim Water is een bundel met niet eerder gebundelde Parool-columns van A.L.Snijders

Stuk voor stuk parels van woord-economie die je met de neus op de feiten drukken waar het in het leven en in de kunst om gaat .

Met een voorwoord van Tommy Wieringa .

Paperback , 368 pag .€ 19.90 Isbn 9789400402713




In De incunabel vertelt A.L. Snijders het verhaal van de jonge David, student Nederlands in het Amsterdam van de jaren zestig. David probeert zijn leven ‘met vaste hand' te besturen, maar op een onbewaakt ogenblik wijkt hij toch af van de uitgestippelde weg - en dat gaat niet straffeloos. Aan het lot valt niet te ontkomen. Het is als een rivier: je kunt wel een beetje meer naar links of naar rechts, maar uiteindelijk niet al te veel. Alles stroomt door een bedding naar zijn bestemming. De incunabel is een bijzonder stijlvolle novelle van de grootmeester van het korte verhaal.

ISBN: 978 90 600 5988 3 Aantal pagina's: 96 Uitvoering: Gebonden


A.L. Snijders, Meer dan een bibliografie

Marius Zeven & Theo Rabou (vormgeving)
Illustraties: Marcus, Matthijs & Gijs Müller.

Deel 1: Een vriendenboek .
Een keur aan auteurs, waaronder L.H. Wiener, Thomas Verbogt, Jaap Scholten, Joost Conijn, Hanneke Groenteman en Tommy Wieringa alsook debutanten als Serge Markx, Branko Vliegenthart en Snijders' zoon Marcus Müller, schreef speciaal voor dit boek een nieuwe en persoonlijke bijdrage voor en over A.L. Snijders.

Deel 2: Verhalen, brieven en zkv's van A.L. Snijders
Niet eerder gepubliceerd.

Deel 3: Bibliografie A.L. Snijders
Bijgewerkt tot 18 maart 2011

176 blz. €29,95

 


 

Voordeel schutter

Voordat A.L. Snijders beroemd werd als uitvinder van het ZKV, het zeer korte verhaal, stond hij vooral bekend als columnist van Het Parool. In Voordeel schutter verschijnen de columns van de winnaar van de Constantijn Hygensprijs voor het eerst in boekvorm. Ze gaan vergezeld van Snijders' fraaie brieven aan de redacteur van deze krant. Snijders' columns gaan over het dagelijks leven, zijn rol als vader, de landelijke omgeving waar hij woont en vooral de literatuur. Stuk voor stuk parels van woordeconomie die je laten zien waar het in het leven en in de kunst om draait.
‘Met uiterste precisie schildert Snijders, de meester van het éénharig penseel, de wereld in kleine taferelen. Ze bestrijken de breedte van het leven, in het bijzonder dat van hemzelf, en dragen de kleur van zijn dag, mild-ironisch, peinzend, woedend soms, maar altijd erudiet en in een stijl die in de Nederlandse literatuur door vrijwel niemand wordt overtroffen.' – Tommy Wieringa
A.L. Snijders (1937) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was columnist van Het Parool en enkele regionale kranten. Met zijn vrouw woont hij in de Achterhoek.
‘Snijders mengt hogere filosofie met het dagelijkse leven. Je raakt hier echt niet op uitgelezen.' – Pieter Steinz, NRC

paperback/17.90

ISBN: 978 90 600 5987 6


 

Een handige dromer

Een keuze uit de zkv's 2009-2010

‘Ik heb gekozen: lekkere, korte, eenvoudige stukjes die door de gemiddelde pvv-kiezer begrepen kunnen worden. Ik heb twee soorten weggelaten: 1 teveel citaten, 2 stukjes waarin teveel bn’ers voorkomen, de name-dropjes, de kijk-mij-eens-een-beroemde-vriend-hebben stukjes. En dit alles op intuïtie, niet nadenken, snel beslissen, wat ze in de middenstand een impuls-aankoop noemen.’

A.L. Snijders

Paperback / € 12.50/Isbn 9789072603234

 


De mol en andere dierenzkv's

Hebben dieren verdriet? Rent een haas voor zijn plezier? Kun je anders dan met mensenogen kijken naar dieren? Kwesties die passen in het Darwinjaar 2009, vragen die helemaal thuishoren in de Boekenweek 2009. Snijders schrijft en spreekt erover in zijn eigen onovertroffen stijl, ongedwongen, nuchter maar steeds weer hartverwarmend.

Twee maart verschijnt De mol en andere dierenzkv’s. Het is A.L. Snijders’ nieuwste boek met zeer korte verhalen – een luisterboek waarin hij 34 van zijn mooiste dierenverhalen voorleest. 21 zkv’s worden in dit boek voor het eerst gepubliceerd. De krachtige illustraties op het omslag en in het binnenwerk zijn van de hand van Jan M. Verburg. Hij won in 1978 het Gouden Penseel als tekenaar van het beroemde Tom Tippelaar van Annie M.G. Schmidt.

Van heel veel kanten bereikte ons het verzoek om ‘iets te doen’ met de prachtige voorleesstem van Snijders. Met De mol en andere dierenzkv’s is die wens werkelijkheid geworden. Het is twee boeken in één: een ontroerend luisterboek en een prachtig leesboek tegelijk. Pieter Steinz, literatuurcriticus van NRC Handelsblad, schreef de inleiding bij dit boek.
Hij spreekt over ‘de Romeinse kernachtigheid’ van Snijders’ verhalen en over diens ‘zinnen, scherp als messen.’

isbn 978 90 72603 08 1 | gebonden | 64 pagina's pagina's | € 28,50

top


 

Bordeaux met ijs-A.LSnijders , Illustraties Marcus Muller

Op 13 december verscheen Bordeaux met ijs, A.L. Snijders' nieuwe boek met zeer korte verhalen. Dankzij Snijders is het zkv een verfrissend nieuw genre in de Nederlandse letteren geworden. Dat heeft alles te maken met de storm aan publiciteit en de zeer lovende reacties op zijn verhalen. Daarnaast blijkt het publiek erg te genieten van zijn optredens. Marcus Müller illustreerde het boek met 21 tekeningen. Erf en woning van de auteur zijn op een bijzondere wijze verbeeld. Kees Fens over Snijders' eerste bundel zkv's: ‘meesterstukjes waaruit geen woord gemist kan worden (…). Het begint direct en eindigt precies met de juiste zin (…) – een zeer goed boek.’

isbn 978-90-811180-9-6 | paperback | 420 pagina's | € 24,50

 

 

top


 

In de jaren negentig van de vorige eeuw schreef A.L. Snijders, die met zijn zeer korte verhalen (‘zkv’s’) een steeds groter lezerspubliek aan zich weet te binden, columns voor de Deventer Dagblad Combinatie. Zijn contactpersoon was de hoofdredacteur, de heer Van der Moer. Vanaf de eerste bijdrage liet Snijders zijn stukken vergezeld gaan van een begeleidende brief aan de heer Van der Moer, een man die hij overigens niet kende en ook niet leerde kennen, want de hoofdredacteur schreef zelden terug. In Heimelijke vreugde zijn die columns en brieven gebundeld.
Dit is het tweede deel van een tweedelige uitgave.

ISBN: 978 90 600 5763 6
Omvang: 352 bladzijden
Uitvoering: Gebonden
Prijs: € 19.90

top


A L. Snijders - ZKV (zeer korte verhalen) ...

 

Taxi


Een man en een vrouw ontmoeten elkaar na lange tijd. De vrouw zegt: 'Hoe gaat het met je broer?' De man, die alleen zusters heeft, kan twee kanten op, de waarheid of de verbeelding. Hij kiest de verbeelding en zegt: 'Goed.' De vrouw zegt: 'Wat doet hij? Woont hij nog steeds in Nederland?' De man zegt: 'Nee, hij is curator in Kopenhagen.' De vrouw draait zich om naar haar echtgenoot en zegt: 'Zie je wel, ik zei het je toch, die blijft hier niet, dit land is te klein voor hem, en dat hij in de kunst is gegaan, verbaast me ook niets.' De man die zonder aarzelen een broer verzint en hem in één adem een woonplaats en een beroep verschaft, is Tommy Wieringa, schrijver van het Boekenweekgeschenk Een mooie jonge vrouw.  Hij rijdt in de boekenweek in een taxi door Nederland, dat de grootste boekwinkeldichtheid ter wereld heeft. Hij probeert het geschenk in vijftienhonderd boekwinkels te signeren. Dat haalt hij natuurlijk niet, maar hij doet zijn best. Vrijdag 14 maart komt hij naar Lochem. De plaatselijke boekhandelaar heeft gevraagd of ik hem wil verwelkomen. Ik zeg welkom en kijk met ontzag naar de mensenslang van tweehonderd meter, waarvan alleen de kop in de winkel staat, het lichaam en de staart bevinden zich buiten op het plein. Het gaat goed met het boek. Ik kijk in de taxi en praat met de chauffeur. Als alle boeken hun handtekening hebben ontvangen, rijden de chauffeur en de schrijver oostwaarts waar ze nog twee boekhandels in Twente bezoeken. 's Avonds is er een optreden in het theater van zijn geboorteplaats Goor. Daar vertelt hij dat dit de mooiste week van zijn leven is, zo wil hij verder doorgaan, elke dag in de taxi langs de boekhandels van Nederland, nog veertig jaar handtekeningen zetten en op de achterbank van de auto nieuwe romans schrijven. Aan het eind van deze schrijversavond rijd ik naar huis, van Overijssel naar Gelderland. Bij het passeren van de grens denk ik aan de schoonheid van ons wegennet, aan de prachtige flauwe bochten en het soepele asfalt. 


 

lijntrekker


Als leraar op een politieschool herinner ik me jaren dat de lokalen vol zitten met Turken en Marokkanen. Als ik iemand een lijntrekker noem, kent niemand dat woord. Ik vertel over Fabius Cunctator. Eerst teken ik met één mediterrane lijn de oude wereld op het bord. Dan vertel ik over Rome en Carthago, over de Punische oorlogen, en ik geniet van de pikanterie dat ik rechtstreekse afstammelingen van Hannibal onder mijn gehoor heb. Hannibal die de Middellandse Zee overstak (met olifanten!) om de Romeinen op hun eigen gebied te verpletteren.
Dit zijn natuurlijk de beste lessen, mijn leerlingen hebben niet de minste belangstelling voor het wonder van de actieve en passieve zin, maar ze willen alles weten over de manier van vechten van de klassieke grootmachten. Dus jongens, luister goed, Hannibal wilde vechten! Logisch, dat is wat elke generaal wil, daarom heeft hij dat vak gekozen. Rome was in grote verwarring, had geen antwoord. Na veel gepraat en gedonder stuurde men Fabius op hem af. Die zag meteen dat hij geen kans had en koos een zeer moedige strategie, die van de lafheid. Hij liet zijn leger steeds eventjes aan Hannibal zien, op de lijn van de horizon. En als de Carthager er dan grommend en snorkend op afkwam, verdween Fabius weer. Aanvankelijk begreep niemand er iets van. Ook zijn eigen mensen vonden hem een lafaard, maar na enige jaren sarren was het invasieleger van Hannibal gedemoraliseerd, en waren de olifanten vel over been. Met een klein troepje stak hij ten slotte maar weer over naar Afrika. Fabius, die de bijnaam Cunctator - aarzelaar, lijntrekker - had gekregen, aanvankelijk een scheldnaam, zag zich met roem overladen. Cunctator kon hij zich nu met trots noemen, hij had gezegevierd door niet te zegevieren.
In de klas heerste verwarring, daar zaten de jongens uit de cultuur van trots en eer. De aanvoerder zag de uitweg. Hij stak zijn hand op en zei: 'Het is dus geen schande om een lijntrekker te zijn?' Ik zweeg omdat ik geen antwoord had.


Explosie

Op de Zwarte Cross is veel lawaai- muziek , motoren ,carbidontploffingen .
's Nachts heeft het ook nog geonweerd . Er zijn honderdvijftigduizend bezoekers, ik ben de enige die een colbertje draagt .
Als ik ergens voorlees draag ik meestal een colbertje , ik blijk geen fijn ontwikkeld gevoel voor de nuances van het decorum te hebben , het is niet de eerste keer dat ik mezelf een verkeerd kledingadvies geef . De tent waar ik voorlees is niet van beton , het zeildoek biedt geen bescherming tegen de versterkte popmuziek van links en de gillende kermisattractie van rechts . De geluidsman heeft een microfoon om mijn oren gehangen , het kastje laat hij zakken in de binnenzak van het colbertje . Ik zit in een cocon , de woorden die ik uitspreek vullen mijn hoofd voordat ze de tent ingaan , de geluiden van het festival worden weggedrukt . Ik lees voor wat ikzelf bedacht heb , maar ook twee fragmenten uit de brieven die Gustave Flaubert in 1853 aan zijn minnares schreef . Daarin komt de zin voor die mij steeds weer in vervoering brengt en die ik dan ook graag voorlees : Ik wens dat er niets zonder bitterheid is , dat er eeuwig en altijd gefloten wordt wanneer wij zegevieren en dat onze geestdrift gepaard gaat met wanhoop .
Na een kwartier verlaat de helft van de toehoorders de tent , ik pauzeer even tot ze allemaal weg zijn . Ze fluiten en joelen niet , maar ik hoop wel dat Flaubert ze in het hart heeft geraakt .Later , na het officiele slot van mijn voordracht , vertelt een journalist me dat ze niets konden verstaan en daarom zijn weggegaan . De kermis heeft het gewonnen van het woord zoals een explosie het wint van een zucht , en ik moet bekennen dat daar toch ook wel iets voor te zeggen is

 


 

Doosje

Toen de brief van gisteren in de bus gevallen was , bleven de libelleman en ik nog even praten . Hij vertelde me dat hij ooit als goudsmid voor een weddenschap een zeer klein doosje met een scharnierend deksel had gemaakt , een kubus van een milimeter . Ik kon mijn oren niet geloven , maar ik had het goed verstaan , hij zou het bij zijn volgende bezoek meenemen .
Naar huis fietsend mompelde ik " dat kan niet dat kan niet dat kan niet ", maar daar staat tegenover dat ik de libelleman nooit op een leugen betrapt heb . Er is een kans dat dit verhaal een vervolg krijgt


De libelleman is op bezoek geweest met zijn doosje en een zeer sterke loep . Ik heb het gezien , een bij een milimeter inclusief deksel en scharnier . Er is nu een onoverkomelijk filosofisch probleem ontstaan : mijn ogen hebben het signaal niet blijvend doorgegeven aan mijn hersens . Uit het oog uit mijn hersens - ik kan het niet bevatten , hij moet terugkomen met het doosje , het wonder moet steeds ververst worden . Het doosje heeft me veranderd in een gelovige .


De trein

Als ik op perron 4 in Apeldoorn vanuit de stroom forensen mijn naam hoor roepen, valt er een loden last van me af. Dit is een dag die me zal heugen, een zware, heugelijke dag. Het is mijn kleinzoon Jack, hij is tien jaar, hij reist voor het eerst alleen met de trein. Amsterdam - Zutphen is de bedoeling, maar dan moet hij overstappen. Het wordt dus Amsterdam - Apeldoorn, maar terwijl we al op weg zijn, belt zijn moeder, ze zijn verlaat en hij komt ook niet met de regelrechte trein, hij moet overstappen in Amersfoort. Ik schrik, ze kalmeert me, ze heeft alles geregeld op het Centraal Station met een spoorwegman wiens taak het is reizigers gerust te stellen. Hij heeft een praatje gemaakt met Jack, telefoon- en perronnummers op een papiertje geschreven, een collega in Amersfoort gewaarschuwd en zodoende in het hart van de jongen een fundament van vertrouwen in de Nederlandse Spoorwegen gelegd. Intussen weet ik van niks, ik wacht af in mijn cocon van wantrouwen, bevroren wissels, bladeren op de rails, gestolen koperen leidingen, te weinig informatie bij plotselinge sneeuwval. Vergeet niet, ik maak nooit gebruik van de trein, ik heb een auto voor de lange afstanden en een fiets voor de korte, de trein ken ik alleen van het gekanker en geklaag in de media en de volksvertegenwoordiging. Ik heb angstvisioenen dat de lange trein uit Amsterdam niet in Apeldoorn stopt, ook Enschede links laat liggen, en zich als een pijl in de kou van Oost-Europa boort. De bekende angst die zijn eigen bron heeft, de vreemdeling die altijd in de buurt is en je op onverwachte momenten op de schouder tikt. Jack heeft me vanuit de trein op het perron zien staan, we zijn blij dat we elkaar herkennen. Hij heeft honger, we gaan naar de restauratie waar hij een broodje gezond bestelt, de ham laat hij eraf halen, hij is vegetariër.


 

In de Rij

Iedere zomer wordt in Central Park in New York het voor alle New Yorkers gratis toegankelijke toneelfestival Shakespeare in the Park georganiseerd . Dit festival is in de loop der jaren zo populair geworden dat ook de gerenomeerde Amerikaanse filmsterren , onder wie Al Pacino en Julianne Moore , in de open lucht komen spelen . Met de inbreng van Hollywood is Shakespeare in the Park uitgegroeid tot een cultfestijn waar iedere New Yorker graag gezien wil worden . Maar om aan de gratis kaartjes te komen moeten belangstellenden van 's ochtends vroeg tot ver in de namiddag in de rij staan . Natuurlijk hebben de zakenbankiers van Wall Street en de CEO's hier geen trek in en te weing tijd voor . En daar hebben ze wat op gevonden . Ze betalen tegenwoordig New Yorkse daklozen veel geld om voor hen in de rij te staan overdag . Tegen de tijd dat de voorstelling begint , nemen de bankiers de plaatsen in van de daklozen . Bedelaars en bankiers tegelijk blij ; Pasen en Pinksteren op een dag . Wat wil je nog meer .

Niets. Ik vind het in mijn naieveteit prachtig voor de daklozen . Maar als ik verder lees , blijkt het schandalig te zijn . Marktwerking heeft de moraal uit de samenleving gehaald ! Ik moet niet zo lichtzinnig reageren , ik moet het maandblad voo Socialisme & Democratie voortaan ernstiger bestuderen .



Gekraagde roodstaart .

Een uur voor zonsondergang kwam de onbekende man op de fiets langs, hij groette over zijn schouder, op weg naar het bos. Wij zaten buiten, het was erg warm, we groetten hem ook. Twintig minuten later was hij op de terugweg, hij vroeg of wij een doosje hadden voor de libel, die in zijn holle vuist zat. Toen de libel was opgeborgen, gaf hij een indringend college van een uur over de libel. Ik hoefde niets te zeggen, ik bedacht – niet voor de eerste keer – dat je je leven kunt inrichten zoals je wil. Je kunt staand voor onbekende mensen alles over de libel vertellen, niet alleen zijn Latijnse naam maar ook zijn Griekse, zijn evolutie vanaf de oertijd, zijn verspreidingsgebied. Ik zou het niet kunnen, ik zou steeds denken 'willen ze dit wel weten? hebben ze de tijd? verstaan ze de woorden die ik gebruik?' Maar de man had daar geen last, hij vertelde dat hij regelmatig 's nachts tot zijn schouders in diepe bosvennen stond met in zijn ene hand een klein fototoestel en in zijn andere een zeer sterke lamp. Ik vroeg of hij nooit bang was, maar hij begreep mijn vraag niet, hij zei dat het zeer eenzame plaatsen waren, dat daar nooit iemand was. De volgende dag was hij er weer, ik stond op het pad, hij liet me foto's zien van zeldzame libellen die kortgeleden alleen voorkwamen in Ingoesjetië in de Noordelijke Kaukasus, maar tegenwoordig als gevolg van de klimaatverandering ook in de Achterhoek te vinden waren. Terwijl hij praatte, vloog een gekraagde roodstaart af en aan met wormpjes en vliegjes voor zijn jongen, die in een spleet in de muur van ons huis hun nest hebben. De vogel streed met zijn angst voor ons en de drang om zijn jongen te verzorgen. Daarom ging hij steeds even zitten op de kop van een stok die een dahlia ondersteunde. Een goede plek om gefotografeerd te worden. De derde dag had de excentrieke natuurliefhebber zijn grote camera meegenomen. Toen ik opstond stond hij al voor het huis te fotograferen, hij stond doodstil, als een beeld, zijn hoofd verborgen achter een lens als een kanonsloop. Hij stond daar wel een uur, nu en dan keek ik naar hem vanuit het huis, hij zag me niet, hij zag alleen de gekraagde roodstaart.  


Vragen

Een drol is een ding van de nacht. Sneeuw onthult wat verborgen blijft. De sneeuw blijft hier lang liggen. Twintig meter van mijn schrijftafel loopt - gelukkig met een raam ertussen - een welvarende ree in de tuin te knabbelen aan de struiken. Kou verbroedert. Een week eerder heb ik op een andere plek in de tuin op de smetteloze sneeuw een drol gevonden. Alsof er een kleine hond op bezoek is geweest, terwijl ik geen kleine hond meer heb, zelfs geen kat, ik heb alleen nog maar een kip. Vanmorgen vind ik weer zo'n drol, duidelijk van hetzelfde beest. Maar deze keer ligt hij op de besneeuwde tuintafel. Nu wordt het een mysterie. Wat gebeurt hier 's nachts? Wie is hier te gast? Is het wel een gast of woont hij hier, net als ik? Betaalt hij ook hypotheek en rioolbelasting? Maakt hij zich zorgen over de euro? Er zal hoe dan ook een tijd komen dat de mens er niet meer is. Zal de nachtelijke gast er dan nog zijn en op tafel poepen?


Buurman

Tussen zeven en acht in de morgen fiets ik. Een kleine kilometer van mijn huis, aan de andere kant van de provinciale weg, passeer ik een klein aardappelveld, waar een man met een riek staat te rooien. Ik praat met hem en probeer alles van hem te weten, hij is net als ik in 1937 geboren, maar ik ben een maand ouder en eis dus respect, hij is altijd vrijgezel gebleven, hij is geboren op de boerderij achter zijn rug, heeft ouders en twee broers, ze hebben altijd bij elkaar gewoond, nu is hij alleen, iedereen is dood. Hij heeft op de lagere school van Klein Dochteren gezeten, twee lokalen. Op zijn vijftiende mocht hij van school, hij zucht van geluk bij de herinnering. Hij kijkt nooit naar de televisie ('ik hèb wel zo'n ding', zegtie), en de radio gebruiktie alleen voor de weersverwachting. Hij gaat om negen uur naar bed en staat om zes uur op, naast het huis ligt een prachtige moestuin, op het land staan pinken. Morgen fiets ik er weer langs en ga ik hem vragen of hij leest, wat hij voor zichzelf kookt, of hij het erf wel eens verlaat, en als de sfeer het toelaat, de dood, denkt hij wel eens aan de dood. 

Hij maakt geen weigerachtige indruk, maar hij geeft alleen antwoorden, hij stelt geen vragen. Ik vertel hem ook over mezelf, ik heb geen geheimen, ik vertel hem dat ik iedere avond naar de televisie kijk en eens per week een zeer klein stukje in een omroepgids schrijf en dat ik daar geld voor krijg. Ik vertel hem dat tien van die stukjes deze fiets hebben opgeleverd, ik wijs op de fiets, ik ben niet karig met mezelf.


 

Fez

Mijn oudste zoon heeft de tweede wereldoorlog niet meegemaakt, maar weet er alles van. Gisteren vertelde hij dat de Duitsers op de Balkan een SS-divisie hadden die uit lokale moslims bestond. Ze droegen geen pet, maar een fez, waar het SS-teken op stond. 'Zo konden ze in uniform toch makkelijk bidden', zei hij. Ik hoorde voor het eerst dat de fez juist voor moslims ontworpen is omdat een klep hen belet met het voorhoofd de grond aan te raken. Ik wist dat niet, ik weet veel niet. Ik keek naar hem en dacht: dat weet jij en ik niet. De orde wordt geschokt, een vader hoort meer te weten dan zijn zoon. Omdat ik op zolder lekkages repareer in een smoezelige omgeving van spinrag en eeuwenoud stof, draag ik behalve een overall een stevige pet met een forse, harde klep. Als ik water drink bij het fonteintje moet ik me bukken om het water in mijn hand te laten lopen en het tegelijkertijd te drinken. Met de pet lukt het me niet, door de klep kan ik niet dicht genoeg bij de kraan komen. Ik word moslim, dan kan ik drinken met hoofdbedekking, en als iemand vraagt waarom ik een fez draag, wijs ik op mijn nieuwe geloof.


Innerlijke tijd

In het zondagmorgenboekenprogramma van Wim Brands was de filosofe Joke Hermsen aan het woord. Ze heeft een boek geschreven over de tijd. Het is een pleidooi voor de innerlijke tijd, de tijd zonder horloge, de tijd als de trein vertrokken is en er geen volgende verwacht wordt. Wim Brands bracht een trend in het bedrijfsleven ter sprake, een ruimte waar de klerken een uurtje de tijd kunnen vergeten. Ik meende te zien dat hij de draak wilde steken met dit initiatief (net als ik), maar voordat hij de volle ruimte kreeg, bleek dat Joke Hermsen ervoor was. In het kader van alle beetjes helpen.

Ik ben in mijn werkende leven leraar geweest aan verschillende onderwijsinstellingen. Die hadden gemeen dat je er moest zijn als je wat te doen had. Als je volgens het rooster bijvoorbeeld de eerste twee uur geen les had, hoefde je niet te komen. De laatste twaalf jaar werkte ik aan een politieschool. De eerste jaren had ik niets door en de directie ook niet. Ik kwam als ik les had, en ik ging als ik klaar was. Dit veranderde toen ik thuis zat en onverwacht bij de directeur moest komen omdat een vrouwelijke collega over me geklaagd had. Ze was niet slim, maar wel assertief. Ik had haar gevraagd of ze een controle-oefening voor me wilde maken, ik vroeg haar letterlijk: wil je m'n guinea-pig zijn? Ze ging naar de directeur en zei dat ik haar een varken had genoemd, ze wist niet dat guinea-pig ook in onze taal gebruikt kan worden als proefkonijn.
Ik moest denken aan een kinderverhaal over een vette priester die gepest wordt door een stel kwajongensdieren, waaronder rein de vos. Terwijl ze wegrennen, schreeuwt hij in het latijn: maledico vos (ik vervloek jullie). De vos voelt zich beledigd, hij heeft 'malle dikke vos' verstaan, en wil terug om verhaal te halen, maar zijn vrienden voelen er niets voor. De directeur vroeg waarom ik thuis zat – ik legde hem uit hoe het zat in het reguliere onderwijs en hij vertelde dat ik er altijd moest zijn, les of geen les.
De volgende tien jaar zat ik dus de hele week op mijn kamer en deed niets, geheel in de sfeer van de wachtcultuur van de politie. Het beviel me goed, ik ben altijd een man van de innerlijke tijd geweest. Soms gaf ik zeven uur per week les, soms tien, maar nooit meer. Ik heb dit nooit aan de grote klok gehangen, ik was bang dat men mij voor klaploper of profiteur zou uitmaken. Maar nu het officieel op de televisie is geweest, is het tijd om uit de kast te komen.


Opvoeding

Ik heb altijd het idee dat ik niet echt nadenk. Ik ken twee mensen, een wiskundige en een filosoof, die een middag zonder werktuigen in een stoel kunnen zitten om na te denken. Ze behandelen dan al denkend een probleem, een vraagstuk. Ik heb ontzag voor deze mensen. Ik denk over niets echt na, ik denk nooit over de dood of over een rechtvaardige samenleving. En als iemand vraagt hoe ik opgevoed ben, zeg ik altijd oprecht dat ik niet ben opgevoed. Mijn vader zei altijd dat hij mij niet opvoedde en dat heb ik geloofd en verder verteld. Hij nam mij wel iedere week op woensdagavond mee naar het Concertgebouw en ik mocht op zijn rekening de boeken kopen die ik wilde hebben, maar dat had toch allemaal meer te maken met een soort lome beschaving dan met opvoeding, die ik meer associeer met nerveus pikgedrag en discussiëren over normen en waarden – dat deden we nooit, we discussieerden nooit. Ik heb ook niet de indruk dat ik mijn eigen kinderen heb opgevoed, ik wilde mijn vader niet teleurstellen. Maar nu heb ik onlangs een stapel papieren ontvangen van mijn oudste zoon die zijn huis opruimt. Daar was een briefje bij dat ik hem zondag 21 mei 2000 geschreven heb. Ik vind bij nader inzien dat het wel degelijk een opvoedkundig karakter heeft (door de laatste 4 woorden):

Beste Marcus,

In de Gelderse krant wordt Rudy Kousbroek geïnterviewd.
Over Wim Kan, die bij het bezoek van Hirohito opriep tot demonstraties, zegtie:

<In hoge mate schande. Hij wilde de keizer ook dood hebben.
Infantiel. Alsof de keizer, de kaartjesverkoper in livrei, de baas is van de bioscoop.

> Je ziet dattie een voorkeur heeft voor dit type beeld:
een mooi aangeklede ondergeschikte wordt door domkoppen aangezien voor de baas.
(Fluitende conducteur zet trein in beweging.)

Blijf op je hoede.

top


Geheugen

Een slecht geheugen is een genot. Ik schrijf stukjes als een schaatser, ik moet vooruit kijken omdat er scheuren in het ijs zitten, ik wil niet vallen, ik kan niet omkijken. En als ik bij mijn doel ben, ben ik de weg die ik heb afgelegd vergeten. Dat geeft een heerlijk gevoel, er is alleen maar toekomst. Maar ik leef niet alleen, er is altijd wel iemand die om opheldering vraagt, en dan raak ik in de war – heb ik dat gezegd, heb ik dat geschreven? Dan wordt er geknikt, ja, dat heb je geschreven. Ik ben eraan gewend geraakt, ik schaats alleen, maar ik leef niet alleen, er zijn mensen om me heen, ook al zie ik ze niet. Als er iemand op me af komt met een vrolijke twinkeling in zijn ogen, dan weet ik dat hij mij kent – ik draai er niet omheen, ik vertel hem meteen dat ik een slecht geheugen voor gezichten heb, dat het niet persoonlijk bedoeld is, dat hij me moet helpen. Dat doet hij altijd, en dan praten we ontspannen over vijftig jaar geleden of over vorige maand. Mijn geheugen zit achter een bescheiden drempel, een klein zetje is genoeg.

Ik schrijf kleine stukjes. Aanvankelijk voor mezelf, zonder last of ruggespraak, maar als een uitgever ze verzamelt en er een boek van maakt, komen er reacties. Boekhandels en bibliotheken vragen of ik wil voorlezen. Vaak rijd ik honderden kilometers, soms slechts tien. Dat was enkele weken geleden het geval, boekhandel Lovink in Lochem nodigde me uit. Er waren dertig stoelen klaargezet, precies goed, want er waren dertig toehoorders. Ik ging tien minuten voor aanvang van huis, de boekhandel ligt op vijf kilometer afstand. Ik las een medisch stukje voor, met de titel 'Lipoom'.

*Ik zat bij de dokter in de wachtkamer om een gezwel te laten onderzoeken. Ik vreesde kanker. Het was vroeg in de ochtend, er zat maar één man, het was doodstil. Ik zei tegen de man: 'Zullen we praten?' Hij antwoordde: 'Nee'. Tien minuten later, in de spreekkamer, zei de de dokter dat ik geen kanker had. Het gezwel bleek een lipoom.*
Terwijl ik voorlas, realiseerde ik me dat ik niet meer wist wat een lipoom was, vergeten. Gelukkig zat mijn huisarts ook in het gehoor. Ik vroeg het hem. Het is een vetbult. Ik constateerde dat het met de kennis van de Nederlandse huisartsen goed gesteld is

top


Eredienst

Mijn 10-jarige kleindochter, die hier logeert, vraagt iedere ochtend als ik binnenkom: 'Ben je al naar de haan geweest?' Ik zeg: 'Nee, ik heb hout gehaald'. [Dat kan ze zien, want ik draag de mand met hout onmiskenbaar.] Ze kan zelf ook naar de haan gaan kijken. Ik vraag: 'Waarom ga je zelf niet kijken?' Ze zegt: 'Ik ben nog niet aangekleed.' Ik zeg: 'Gisteren heb je hele dag niet gekeken.' Ze zegt: 'Ik ben vergeetachtig.' Haar moeder, die met haar op een kamer slaapt, zegt: 'Iedere ochtend zijn haar eerste woorden voor de haan.' Ik wil natuurlijk in kale termen aan de haan denken: 'De haan leeft of is dood.' Maar mijn kleindochter broedt op een eredienst. Wij durven niet te kijken en willen er niet over praten. Zwijgen en angst, het is begonnen. Over tweeduizend jaar ligt het onherroepelijk vast, Antoine Bodard verschijnt iedere avond op de televisie. [Deze flauwe fantasietjes ontstaan duizend keer per dag op duizend plaatsen – maar eens is het raak.]

top



Huizenprijs

Huizenprijs Eupen / Malmédy. Hoe werkt de herinnering? Vraag zonder antwoord. Op de lagere school zijn deze twee plaatsnamen als een tweeling in mijn hersens geplaatst, weggezakt en nooit meer tot leven gebracht. Ik wandel op een vroege ochtend in de buurt van Stavelot, in de Ardennen. Ik laat mijn hond uit en adem diep. De gezondheidspredikers, die niet ophouden mij op te voeden, te vermanen, aan te sporen en bang te maken, zeggen dat wandelen en diep ademen gezond zijn. (In het bos tenminste, niet onder de rook van een naftakraker.) Gelukkig heb ik een hond, ik moet dus wel wandelen, de gezondheid is een bijverschijnsel, zonder hond zou ik geen poot verzetten. Ik loop op een smalle dijk langs snelstromend water – aan mijn rechterhand, een paar meter lager, liggen verlaten sportvelden, voetbal, tennis, atletiek. Er loopt een man met een zwaar, melancholiek gezicht en een grote, harige hond, ze passen bij elkaar, zoals altijd als man en hond op elkaar aangewezen zijn. De man praat tegen me, van beneden naar boven. Onze honden zijn de aanleiding, hij vraagt wat voor 'n hond ik heb. Als ik zeg dat het een Duitse jachthond is, veert hij op, mooi, hij is pro-Duits! Na het hondenhoofdstuk begint hij over zijn leven. Zijn vrouw is weggelopen, hij woont alleen met zijn hond in Stavelot, hij heeft niet veel contact met zijn buren, omdat hij in Malmédy geboren is. Ik trek mijn wenkbrauwen omhoog – verbazing. We vallen ruggelings in de tijd, het is oorlog. Malmédy, dat pas in 1926 als herstelbetaling bij België is gevoegd, heeft de Duitse invallers met gejuich en hakenkruisvlaggen ingehaald. (De man zegt: 'Er zijn foto's van'.) Stavelot, slechts enkele kilometers verderop, staat aan de andere kant. Vijf jaar hebben die van Malmédy de wind in de rug, die van Stavelot moeten lijden. Als de geallieerden gewonnen hebben, gaat het vuur ondergronds. In Stavelot verschijnen de plaquettes met de namen van de gevallenen, en de belofte om nooit te vergeten. Tegelijk moeten we denken aan Jezus, die verzoening heeft gepredikt. De man met de hond wordt al meer dan zestig jaar door zijn buren met de nek aangekeken, de veenbrand woedt tot in de 21ste eeuw. Ik, praktisch en onideologisch, vraag waarom hij niet verhuisd is naar Malmédy (soort bij soort, zoals sigaren in een doos). Hij schudt het hoofd: 'In Stavelot zijn de huizen goedkoper'. Een eenzame man, die de geschiedenis bedwingt met de huizenprijs. 's Middags zie ik hem op de parkeerplaats van de supermarkt, hij praat tegen een vreemde met een hond.

top



Mand

De maïs is eraf, het land ligt er gewond bij. Ik zie vier reeën langzaam in lijn over de donkere aarde lopen, ze trekken een onzichtbare ketting, het is november geworden, eindelijk. Ik kan ze niet goed zien, mijn ogen zijn nog niet gewend aan de kleur van november. Ik sprokkel, bij elke gang door het bos neem ik wat hout mee. Ik gooi het in de grote, rechthoekige mand die ik herontdekt heb in de schuur waar de uil geruisloos op me af vloog. De mand heeft ooit in de waszaal van een weeshuis gestaan, of van een gevangenis. Hoe dan ook, je ziet dattie in de omgeving van veel verdriet is geweest. Nu is hij er voor het hout. Als het droog is, gooi ik het in de kachel. Soms herken ik een vorm en herinner ik me de vindplaats. Zoals bij iedereen is mijn hoofd volstrekt ontoegankelijk, empathie is een illusie. Toch vind ik het ene stuk hout sympathieker dan het andere. Onverklaarbaar. Een gekapte, christelijke televisiepersoonlijkheid verklaart in een nieuwsprogramma dat hout stoken slecht voor de gezondheid is. Fijnstof! Van alle kanten kruipen ze op je af, met hun gezondheid. En ze verpesten je leven met hun gelijk.

top


Elvis presley

Er belde een meisje op, ze vroeg of ik wilde meedoen aan een Vpro-radioprogramma over kunstenaars die ineens voor een afgrond stonden, een wending maakten, niet meer konden, geblokkeerd waren, het licht zagen, zulke dingen. Ik zei dat ik wel wilde meewerken, maar dat zulke dingen bij mij nooit voorkwamen. We praatten, ze leek teleurgesteld, maar wilde me desalniettemin in het programma. Toen bedacht ik dat er in mijn leven toch wel iets gebeurd was. In 1965 had ik naast mijn woonhuis aan de Oude Zijds Achterburgwal een zeer groot pakhuis gehuurd van meneer Helleganger. Hij was textielhandelaar, in het pakhuis waren behalve opslagruimten ook grote naai-ateliers, waar meisjes onder posters van Elvis Presley en bij arbeidsvitaminen uit de luidsprekers kleren zaten te naaien. Toen Helleganger ermee ophield, verhuurde hij het grote gebouw aan mij. Ik sleepte het in 6 jaar vol met hout en ijzer en onbruikbare machines. Niemand begreep waarom ik dat deed, ikzelf ook niet. Soms beantwoordde ik de altijd eendere vraag met de oorlogswoorden: het kan van pas komen. Toen ik in 1971 naar de Achterhoek verhuisde, kocht ik in Friesland voor 400 gulden een VW-bus. Met deze auto reed ik honderden keren van Amsterdam naar mijn nieuwe huis en stouwde de schuren en zolders vol met de inhoud van het pakhuis. Iemand die me soms hielp, vroeg aanvankelijk wanhopig of houten blokjes van 2 bij 3 centimeter ook mee moesten, maar na enige tijd begreep hij dat ook die van pas konden komen. Van 1971 tot 2007 ben ik doorgegaan met verzamelen – toen kwam de ommekeer. Ik besloot dat ik alles moest wegdoen. Sindsdien rijd ik elke vrijdag of zaterdag (de openstellingsdagen) met een aanhangwagen vol spullen naar de provinciale stortplaats, waar ik mijn leven in porties achterlaat. Het meeste is nooit van pas gekomen, maar het is zeker zinvol geweest, anders was het nooit gebeurd. Ik heb een pasje voor ingezetenen, waardoor ik de helft van de prijs betaal, €10 voor 100 kilo, en €1 voor elke 10 kilo meer. Wat ik wel onrechtvaardig vind is dat als ik met bijvoorbeeld 60 kilo kom, toch €10 moet betalen. Vorige week heb ik een stapel posters van Elvis Presley weggegooid.

top


Levens

Toen aan sir Alfred Ayer werd gevraagd waarom hij niet in God geloofde, antwoordde hij dat daar geen reden voor was. Korter kan het niet.

Toch kan ik me voorstellen dat een monnik in een Spaans klooster zijn leven lang aan God wijdt, terwijl hij niet in Hem gelooft. Dattie het alleen doet om de schoonheid, de trots, de rust en de voorname wijze van leven. Zoals ik me ook kan voorstellen dat iemand zijn leven aan de wiskunde wijdt. (Ayer was trouwens wiskundige.)

top


Kunstcriticus/handelaar/makelaar

Na de muziek en de gedichten in de kerk van Hantumhuizen gingen we op straat zitten, het was erg warm. Frits Weeda vertelde dat in 'Boven het dal' een meisje één keer gezien wordt, op het perron van het station, en dat ze daarna wegrijdt in de trein en nooit meer gezien wordt. Verhave en ik, beiden gepromoveerd op Nescio, antwoordden dat hij zich vergiste, zoiets kwam niet voor in 'Boven het dal'. Later bij het afscheid zag ik dat de oude auto van Frits Weeda niet startte. Hij had er kennelijk op gerekend, want hij haalde startkabels te voorschijn en leende wat startstroom bij zijn buurman op de parkeerplaats.

Thuis bleek Frits Weeda gelijk te hebben, het verhaal heet 'Het begin' en het staat in 'Boven het dal'. Sam is aan het woord: "Vreemd, zoo'n meisje, dat je één zoo'n keer even ziet en nooit meer. Daar kan ik nu beroerd van worden, te denken dat je nooit meer bij elkaar kan komen, al zou je allebei willen. En dan ontmoet je weer een ander. En daarna vergeet je ook die en zoo vergaat alles. En als je elkaar krijgt is 't ook niet goed."

Later in de nacht, het werd al licht, droomde ik van Frits Weeda. Hij stond op de kansel van het 13de-eeuwse kerkje met zijn dikke bakstenen muren. Hij droeg uit zijn hoofd voor. Ik herkende in mijn droom de monoloog van Johannes Bavink. *Alles? Ik ben er sedert gisteravond heelemaal van opgeknapt. God is eentonig. God vervalt in herhalingen. Ga eens ergens staan Koekebakker. Ga eens morgenavond om half vjif op de Kromboomsloot staan, als ze de lantaarns aansteken. Let eens op vanmiddag bij het fortje, als je over 't riet naar de boomen van den 's Gravelandschen weg kijkt en 't zonnetje staat weer achter je, precies waar 't verleden jaar om dezen tijd stond, 's middags om drie uur. Als je dan even staat, Koekebakker, je weet 't toch zelf, je bent toch ook geen makelaar of handelaar in 't een of ander of kunstcriticus. Weet jij dan of 't van 't jaar is of tien jaar geleden, of 1950? Heb je niet zelf duizend maal dezelfde sloot gezien, dezelfde twee boomen, ieder aan een kant van den weg, dezelfde strakke blauwe lucht in 't Noorden en denzelfden wazigen, wittigen horizon in 't Zuiden, duizend maal een ruitje de wolken zien weergeven, duizend maal gekeken naar de strepen die de lantaarns maken in 't water van een stil grachtje? Heb je niet zelf duizend maal in de schemering na een korten winterdag met me de Oue Schans en den Binnenkant op en neer gesjouwd in al die jaren? Nooit. Kijk hier naar deze klinkers, pik er een paar vierkante meter uit. Kom morgen terug en ze zullen anders wezen. God vervalt in herhalingen, Koekebakkertje. 't Is altijd morgen, middag, avond, nacht en lente, zomer, herfst en winter. En hij geeft geen rekenschap, hij vraagt mij niet. En ik kan 'm niet verbeteren. Ik schilder altijd weer land, lucht, water en huizen en ben even vervelend.*

Wat ik vooral zo goed vond in de voordracht van Frits Weeda was zijn uitspraak, hij sprak alle n's uit die wij overboord hebben gezet en zelfs de hoofdletters in Noorden en Zuiden kon ik horen.

top


 

Torens en zeilboten

Ik lees mezelf. Ik lees 288 pagina's drukproeven van Heimelijke Vreugde 2. Ik realiseer me dat de brieven aan meneer Van der Moer echte brieven zijn, niet geschreven met heimelijke publicatiehoop in het achterhoofd. De toevoeging van de brieven is door Thomas Rap in een laat stadium bedacht. Er staan heel wat dingen in die ik weggelaten zou hebben als ik het geweten had. Nu nog lees ik vaak met kromme tenen, maar ik verander niets, ik zal lijden. Heel opvallend is mijn citeerdrift – dat heb ik dus alleen voor meneer Van der Moer gedaan, een man van mijn leeftijd wiens voornaam ik niet eens kende. Vanmorgen las ik met grote instemming (zelfs met enige ontroering) een passage uit de dagboeken van Cheever in een brief van 01 07 96. De hoofdredacteur was een zeer erudiete man en het moet hem toch plezier gedaan hebben dat ik zulke dingen voor hem overschreef. Ik zou het hem alsnog willen vragen, maar hij is dood.

*Licht en schaduw, aangename en dissonante klanken, het gezang van de schoonmaakster en het bonzende geluid van de wasmachine komen aan als een serie opdoffers. Ik kan me niet concentreren op de verhalen die ik moet schrijven zonder een verscherping van de inwendige pijn. Ik kan geen termen of beelden van rust bedenken. Ik geef mezelf alle privileges van een leugenaar, maar mijn leugens en bedenksels hebben geen overtuiging. Er is niets. Geen extase, geen rust, alleen een geforceerde illusie daarvan. De tijdspanne tussen leven en sterven is kort en ingrijpend, en de menselijke ziel wordt niet kenbaar in comfortabele boerderijen en enórme monumenten, maar in vierderangs hotelkamers, onwelriekend en obscuur. Dat is alles. Er is niets. Moe maar slapeloos, geil maar alleen, radeloos, dronken, bij het raam zitten aan de luchtschacht in een ander land: dat is het beeld van de mens. Ik herinner me al die hotels in binnensteden, het Carlton in Frankfurt, het Eden in Rome, het Palace in San Francisco, hotels in Hollywood, Innsbruck, Toledo, Florence. Daar is de menselijke ziel, venerisch, eenzaam, ontheemd. De rest –het verkwikkende ochtendlicht, mooie muziek, de torens en de zeilboten– het zijn fantastische creaties, ontwijkingen, leugens, platheden en plichtplegingen, een armzalige poging om de waarheid te verhullen.

* Een goed idee van Thomas Rap om de brieven erbij te zetten, nu kunnen mensen die nooit iets van Cheever hebben gelezen, die zelfs misschien nooit van hem gehoord hebben, met eigen ogen zien wat een magistrale schrijver hij is. Goed dat je dat hebt gedaan, zou ik tegen Thomas willen zeggen, maar hij is dood

top


 

SCHOFTEN

In Discorsi schrijft Machiavelli een hoofdstuk over Giampaolo Bentivoglio, de tiran van Perugia. Het heet 'Het lukt mensen hoogst zelden om door- en doorslecht of in- en ingoed te zijn'. Dat vind ik een prachtige titel. Giampaolo is een grote schoft, hij heeft seksuele omgang met zijn zuster en hij heeft neven en nichten vermoord om aan de macht te komen. Paus Julius II wil een eind maken aan de regering van de familie Bentivoglio, die al meer dan honderd jaar de baas is in Perugia. Deze paus is volgens Machiavelli een nog grotere schoft dan Giampaolo, maar hij is erg moedig en roekeloos. Hij schreeuwt zijn voornemen van de daken en als hij voor de muren van Perugia verschijnt, weet Giampaolo wat hem te wachten staat. Julius is er eerder dan zijn leger, maar hij wacht niet en gaat alleen met een lijfwacht en zijn kardinalen de stad binnen. Hoewel Giampaolo daar met een overmacht aan soldaten wacht, geeft hij zich zonder verzet over. Iedereen is hier verbaasd over, hij had zich onsterfelijk kunnen maken door in één klap het juk van de onbetrouwbare clerus van zich af te schudden. Machiavelli schrijft daarover: *Giampaolo, die zich niet schaamde voor een incestueuze verhouding en lak had aan zijn reputatie als verwantenmoordenaar, was toen zich daarvoor een geschikte gelegenheid aandiende niet in staat, of liever gezegd niet flink genoeg, om een daad te stellen die iedereen als moedig geprezen zou hebben, en waarmee hij zich een blijvende plaats in de geschiedenis zou hebben verworven, als de eerste die de heren prelaten aan hun verstand bracht hoe weinig respect mensen verdienen die leven en heersen zoals zij; dan had hij iets gedaan waarvan de grandeur groter was geweest dan alle schande, dan alle perikelen die daarvan misschien het gevolg waren geweest.*

Ikzelf houd meer van klein gescharrel dan van grote gebaren, maar het meest houd ik van de onbegrijpelijkheid. Dat grote schoften gevoelens van mededogen en tederheid kunnen hebben, en dat ik daarvan in verwarring raak.

Francesco Guicciardini, tijdgenoot van Machiavelli, kenner van de pauselijke handel en wandel, schrijft: *Ik ken niemand die een grotere hekel heeft dan ikzelf aan de geldingsdrang, de hebzucht en de wekelijkheid van de clerus; ten eerste omdat elk van deze ondeugden op zich genomen verwerpelijk is, ten tweede omdat zij noch afzonderlijk noch tezamen passen bij iemand die voorgeeft zijn leven in dienst van God te stellen, en verder omdat deze ondeugden onderling zo tegenstrijdig zijn dat ze alleen in een heel vreemde persoonlijkheid samen kunnen gaan. Desalniettemin heeft de positie die ik onder verschillende pausen heb bekleed, me genoodzaakt om uit eigen belang ingenomen te zijn met hun macht. Als dat niet het geval was geweest, had ik evenveel van Maarten Luther gehouden als van mezelf: niet om me te bevrijden van de wetten die worden voorgeschreven door de christelijke godsdienst zoals die gewoonlijk wordt geïnterpreteerd en opgevat, maar om die bende schurken hun plaats te wijzen, dat wil zeggen: om ze hun ondeugden af te leren of hun macht te ontnemen.*

Mijn vader noemde zichzelf een realist. Dat heb ik altijd vreemd gevonden, 's nachts luisterde hij in het donker in de huiskamer naar Mahler – het huis sliep. Zoiets doet een realist toch niet. Ik denk na – hoe zou hij het realisme van Francesco Guicciardini beoordeeld hebben.

top


De schoonheid van gedichten

Op oudejaarsavond 1926 wint de vader van Charles Simic een speenvarken. Een foto. Hij staat in een nachtclub met het schreeuwende beest onder zijn arm, hij draagt een zwarte smoking. Het is een gewoonte in Belgrado, op oudejaarsavond gaat om middernacht het licht uit, er wordt een speenvarken losgelaten, wie het krijsende dier in het donker kan pakken, mag het houden. In 1926 is het de vader van Charles Simic. Ik weet dit omdat Simic het heeft opgeschreven in een verhaal. Het verhaal vertelt verder dat de vader in 1948 naar Amerika gaat om de zwarte armoede van de Balkan te ontvluchten, en dat zijn vrouw en zijn zoon Charles hem later volgen. In de tussentijd ruilt de moeder hun bezittingen voor voedsel, de honger staat voor de deur. Een zigeuner wil de smoking hebben, hij biedt een kip, later twee, de moeder weigert, zij wil een speenvarken. Na dagen onderhandelen zwicht de zigeuner. Het speenvarken lijkt op zijn voorganger uit 1926. Dit staat in het verhaal van Charles Simic, dat ik gelezen heb. Het is een goed verhaal, ik vind alle verhalen en gedichten van Simic goed, dat is makkelijk, ik hoef er niet over na te denken. Ik dacht trouwens dat ik een ander verhaal zou lezen, want de titel luidt: Waarom ik van sommige gedichten meer houd dan van andere.

Ik was leraar op een politieschool. Als een klas afscheid nam, kreeg ik wel eens een cadeau. Ooit was het een speenvarken. In de grote zaal was het vol met ouders en vrienden, maar vooral met inspecteurs en commissarissen in vol ornaat, vergulde touwen over de schouder, de operette van de macht. Toen het organiserende meisje met het krijsende varkentje binnenkwam, waren er al tekenen van afkeuring, maar toen ze het beest liet ontsnappen en het geruime tijd duurde voordat het zich liet vangen, was er ontsteltenis en bangigheid, alsof er een muis was verschenen op een partijtje van meisjes van plezier. Het verbaasde me niet dat ik de schuld kreeg van het incident, maar het was jammer dat ik niet de tegenwoordigheid van geest had om de verklaring te zoeken in het feit dat het ene gedicht nu eenmaal mooier is dan het andere.

top


Mei

Op vrijdag 23 mei, enigszins in de avond, aarzel ik op het kruispunt Overtoom/Constantijn Huygensstraat of ik de jonge moeder op bakfiets.nl voorrang moet geven of niet. Ik aarzel hoffelijk. Achter mij driftig getoeter. Er is weinig verkeer, mei is de mooiste maand van het jaar, daarover valt niet te twisten, men maakt zich klaar voor de avond. Bij het eerstvolgende verkeerslicht komt hij naast me staan, we draaien onze ramen open. Hij schreeuwt: 'Wat doe je nou man, wat doe je nou man!' Hij spreekt Turklands met een vertrouwd Amsterdams accent, ik houd van hem, ik zal hem verdedigen tot voor de poorten van Jeruzalem. Hij maakt driftige bewegingen met zijn armen, zoals een haan vlak voor het kraaien, hij kijkt me woedend aan. Hij roept: 'Je moet stilstaan of rijen man, je moet kiezen'. Ik kijk naar hem zonder uitdrukking, zonder arrogantie, zonder dédain, zonder afkeer, zonder sympathie, ik probeer volstrekt neutraal te kijken, ik probeer iemand te zijn die ik niet ben (de ANDER). Hij roept: 'Hé man, ben je ziek, ben je soms ziek?' Ik zeg: 'Ja, ik ben ziek.' Hij kan het niet aan, hij herhaalt zijn vraag, ik herhaal mijn antwoord: 'Ja, ik ben ziek.' Dan schiet hij in de lach. Het is geen uitgaande lach, het is een ingaande lach, hij lacht om zichzelf. Ik wil het woord niet gebruiken, maar ik kan het niet weerstaan, het is zelfreflectie. Het licht springt op groen.

top